De polder in kleurige abstractie gevangen

Na zestig jaar verzamelen wil Wim van Schaik zijn kunst-collectie in bruikleen geven aan een nog te bouwen museum voor landschaps-kunst in de kop van Noord-Holland. Van Schaiks collectie is uiterst divers.

Toen Wim van Schaik 11 jaar oud was, zette hij zijn zinnen op een dure bureaulamp in een bric-à-bracwinkel. „De vormgeving vond ik erg mooi”, vertelt Van Schaik, „en blijkbaar had ik er toen al kijk op, want de lamp bleek te zijn gemaakt door Van Gispen” – een grote naam in de geschiedenis van het Nederlands design.

‘Kopen wat je mooi vindt’, bleef het motto van de inmiddels 86-jarige Van Schaik, die in meer dan zestig jaar een grote kunstcollectie opbouwde. Zijn landhuis in de buurt van Utrecht telt zeer vele kunstwerken, met namen als Charlotte van Pallandt, Metten Koornstra, Klaas Gubbels, Gerrit Benner en Cor Hund. „Er was ook altijd voldoende inkomen om kunst te kopen”, zegt Van Schaik, die tientallen jaren in de top van het Nederlandse bedrijfsleven werkte.

Maar nu is het mooi geweest, zegt Van Schaik in zijn woning, waar de beelden tot op de trap en de keukentafel staan: „Ik wil de verzameling in langdurig bruikleen geven aan een museum.” Na een lange zoektocht ziet Van Schaik onderdak in de Wieringermeerpolder, in de kop van Noord-Holland. Daar moet volgend jaar in het voormalige hoofdgebouw van het Joods Werkdorp een museum voor moderne Nederlandse (landschaps)kunst komen (zie inzet).

Het hart van het museum wordt gevormd door het werk van de schilder Dirk Breed (1920-2004), die opgroeide in West-Friesland. De vele polderlandschappen van Breed – maar bijvoorbeeld ook zijn portretten – komen uit de omvangrijke verzameling van Van Schaik, die de kunstenaar goed heeft gekend. Het veelkleurige werk van Dirk Breed geldt als ‘licht magisch’ en wordt wel aangeduid als ‘naïef’.

„Maar voor mij is het veel meer dan naïef”, zegt Van Schaik. Hij wijst in zijn woonkamer op een polderlandschap in vogelvluchtperspectief, getiteld Klein Panorama (1980). Hierop vormen kleurige lijnen ogenschijnlijk een keur aan geometrische figuren. „In een bijna abstract schilderij heeft Breed de kern van het polderlandschap weten te vangen”, vindt Van Schaik.

In de kamer ernaast hang het schilderij Droomhuis (1980), waarop een oranjerood huis in een gracht is te zien tegen een nachtblauwe lucht. „Dat huis is heel ontoegankelijk; een deur ontbreekt. Er is geen brug over het water. De man op de voorgrond staat voor een grote omheining. De sfeer is dreigend”, zegt Van Schaik. „Dirk heeft mij wel eens verteld dat hij dit heeft geschilderd na een afwijzing.”

Het kunnen praten met een kunstenaar is voor Van Schaik de reden dat hij uitsluitend hedendaagse kunst heeft verzameld: „Het contact met de kunstenaar heb ik altijd leuk gevonden. Soms groeiden uit die gesprekken vriendschappen.” Alleen al daarom heeft Van Schaik vrijwel nooit geld gestoken in oude meesters: „Verzamelaars die dat doen, zien kunst vaak als een belegging. Ik zie het niet zo.”

Maar hoe dan wel? Die vraag dringt zich op als je ziet hoe verschillend de objecten in zijn verzameling zijn. Er liggen veel penningen, naast een installatie vol computeronderdelen van Margot Zandstra. Een houtskooltekening van een leeg restaurant ligt naast een kunstig bewerkt splashboard voor een prauw. Wat bindt al deze dingen? Van Schaik denkt even na over een antwoord en wijst dan op een bronzen vis van Theresia van der Pant: „Hier is de snelle beweging gevangen in een simpel beeld.” Hij maakt een kronkelende beweging met zijn hand: „Al mijn kunstvoorwerpen verbeelden de essentie op een simpele manier.”

In het trappenhuis staat voor de hoge ramen een glazen plastiek in de vorm van een soort fluitketel, een zeldzame vaas van Klaas Gubbels. Van Schaik wijst op het tegenlicht dat door het glas valt: „Zo zie je goed dat binnenin nog een ander soort glas zit. Dat benadrukt de doorzichtigheid van het materiaal.”