De eenzame wolf wordt door vrienden gepakt

Veiligheidsdiensten krijgen het verwijt dat ze de extreem-rechtse lone wolves niet zien. Onzin, weten Beatrice de Graaf en Edwin Bakker. Maar met klassieke opsporingstechnieken vind je ze niet.

Veiligheidsdiensten, experts en onderzoekers krijgen nu in Noorwegen en elders in Europa veel kritiek over zich heen. Ze zouden zich te veel hebben gericht op islamitisch terrorisme waardoor ze de dreiging van extreem-rechtse eenlingen over het hoofd hebben gezien. Dat is niet helemaal terecht. De AIVD, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) en politie zijn zich goed bewust van die dreiging. Het voorkomen van een aanslag zoals die van Anders Breivik is echter een bijna onmogelijke opgave.

Dit is geen oproep tot defaitisme. Maar het is een vaststelling dat het weinige dat er gedaan kan worden, niet alleen door de veiligheidsdiensten moet worden verricht. De samenleving en in het bijzonder de groepen en personen die door Breivik zijn aangesproken in zijn manifest, moeten bij die strijd betrokken worden.

De aanslagen in Noorwegen door een extreem-rechtse eenling kwamen als een grote verrassing. Was het daarmee ook een intelligence failure? Dat moet nog blijken. Na ‘9/11’ bleek dat de diverse inlichtingen- en veiligheidsdiensten kostbare informatie niet bij elkaar hadden gelegd. Ze hadden de puzzel dus wel kunnen leggen, zo luidde een van de conclusies van de Amerikaanse onderzoekscommissie nadien.

Is dat nu ook het geval? Breivik zou op een lijst hebben gestaan omdat hij chemicaliën had besteld. De Noorse politie vraagt zich eveneens af hoe Breivik aan alle kennis over de vele explosieven komt. Niet alleen van internet. Hadden ze op dat vlak geen aanwijzingen over het hoofd gezien?

Toch is het onterecht om de veiligheidsdiensten te verwijten dat ze zich blind staarden op jihadisme. De angst voor islamistisch terrorisme werd juist vooral in de media, door publicisten, commentatoren en populistische partijen aangezwengeld. Politie, justitie en veiligheidsdiensten hebben de afgelopen jaren herhaaldelijk gewezen op de diversiteit aan terroristische dreigingen. Europol publiceert jaarlijks een gezaghebbend rapport, het Terrorism Situation and Trend Report (TE-SAT). Hierin komen alle vormen van terrorisme aan bod en wordt gewezen op het feit dat de meeste terroristische incidenten die gerapporteerd worden, het werk zijn van andere groeperingen dan islamistische. Van de 500 aanslagen in Europa had er slechts een handjevol een jihadistische achtergrond. Toen wij dit als experts in Nederland het afgelopen jaar citeerden en uitwerkten, stroomden de nare reacties binnen: we zouden het jihadisme op onverantwoordelijke wijze onderschatten.

Ook Noorwegen had rechts-extremisme in het vizier. Het land heeft bijvoorbeeld een lange traditie in het ontwikkelen van exitprogramma’s en deradicaliseringstrajecten voor rechts-extremisten. Die waren redelijk succesvol. En juist dit jaar waarschuwde de Noorse geheime dienst, de PST, voor een toename van het aantal extreem-rechtse geluiden. De nadruk lag echter op bestaande groeperingen.

In Nederland zijn de veiligheidsdiensten zich ook al langer bewust van het feit dat politiek geweld of expressieve terreur uit alle hoeken kan komen en dat eenlingen dodelijk toe kunnen slaan. De moorden op Fortuyn en Van Gogh vormden de aanleiding tot de oprichting van teams binnen de politie die de dreiging van ‘systeemhaat’ en radicaliserende eenlingen in kaart moesten brengen. Eerstgenoemde aanslag leidde ook tot het Stelsel Bewaken Beveiligen, dat regelt op welke manier een bedreigd persoon of object beveiligd wordt. De NCTb heeft er voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis voor gezorgd dat GGZ, politie en AIVD regelmatig rond de tafel zitten. Daarnaast wordt door adviesbureaus en universiteiten – vaak in opdracht van de overheid – onderzoek gedaan naar lone wolves en zogeheten solistische dreigers.

De tijd zal nog leren hoeveel er van te voren aan informatie en aanwijzingen rond Breivik beschikbaar was. Voor nu geldt als grootste uitdaging, ook (en misschien wel juist) in Nederland: wat moeten de diensten hiermee? Wie moet je in de gaten houden? Iedereen die een extreem-rechtse website bezoekt of die het manifest van Breivik heeft gedownload? In Nederland werden naar aanleiding van de aanslagen in Noorwegen ettelijke – al dan niet verkapte – adhesiebetuigingen gepost en getweet. Zijn dat indicaties voor terroristisch potentieel?

Misschien wel. Maar er zijn zoveel van zulke uitlatingen. Europees opinieonderzoek wees uit dat Nederland ongekend hoog scoort op het aantal ‘straattaaldreigers’ en radicale, reaguurderige uitlatingen op internet. Die vind je niet alleen op rechtse sites, maar ook gewoon op de fora van landelijke media terug. Wanneer uitingen als ‘roei het rode rattennest maar uit’ door een terloopse jihadist zouden zijn gedaan, had die er rekening mee moeten houden dat zijn IP-adres werd achterhaald, e-mail gekraakt en in het uiterste geval zijn telefoon zelfs werd afgeluisterd.

Maar ja. Nederland loopt al op kop wat het aantal telefoontaps betreft. Moeten daar nu dan nog eens honderden bij komen? Dat zou niet alleen een hoop werk opleveren voor politie en AIVD, maar ook een drastische inperking betekenen van onze privacy en vrijheid van meningsuiting. Nee, de diensten kunnen, mogen en moeten het niet alleen doen en beslist niet alleen met zulke zware middelen die de open samenleving nog verder onder druk zetten. Er zijn ook andere, politiek-maatschappelijke wegen te bewandelen.

Terrorisme, ook uitgevoerd door lone wolves, bevindt zich nooit in een vacuüm. Onderzoekers gaan uit van grofweg drie verklaringsniveaus die een rol spelen in een radicaliseringsproces. Allereerst een individueel-psychologisch proces van vervreemding. Als tweede een groepssociologisch proces waarin mechanismen als ‘groupthink’ en toenemende risicobereidheid optreden. En tot slot een politiek-cultureel proces waarin de terrorist meent dat zijn ideeën gelegitimeerd worden door bestaande politieke ontwikkelingen en een ‘Umfeld’ van gelijkgezinden (ook al bestaan die alleen in het hoofd van de terrorist). Een terrorist is volgens Harvard-onderzoekster Louise Richardson uit op wraak en roem, maar ook op erkenning en op steun van gelijkgezinden.

In het verleden werden golven terroristisch geweld pas onschadelijk gemaakt nadat potentiële nieuwe rekruten en terroristen ontdekten dat dat potentiële ‘Umfeld’ niet bestond en dat ze door hun vermeende gelijkgezinden werden uitgekotst.

De samenleving zelf, en de door Breivik als ‘Umfeld’ uitverkoren personen in het bijzonder, moeten nadenken over hoe ze omgaan met vijandbeelden en uitlatingen van reaguurders. Politici en publicisten, internetredacteuren en webmasters zullen nog eens een keer goed moeten kijken naar wie en wat voor uitspraken zij toelaten op hun podia. Er ligt dus zeker geen direct causaal verband of juridische ‘schuld’ voor de aanslag bij de groepen en personen die Breivik roemt. Maar zij kunnen wel een belangrijke rol spelen bij het helpen onderkennen en voorkomen van nieuwe gewelddadige eenlingen.

Vaak blijkt achteraf dat die eenlingen zich al wel eens op internet in het debat hadden gemengd. Of om steun of inspiratie hadden aangeklopt. De meeste terroristen, ook de lone wolves die tegen de lamp liepen, werden bovendien niet door databanken of monitorprogramma’s opgespoord, maar door kennissen, vrienden of familie aangegeven, zoals Ted Kaczynski, de UNA-bomber.

Dat biedt mogelijk aanknopingspunten voor een bestrijdingsplan dat de kans op nieuwe terroristische lone wolf-aanslagen kan verkleinen. En waar niet alleen de diensten hun verantwoordelijkheid nemen.

Beatrice de Graaf en Edwin Bakker zijn beiden werkzaam bij het Centrum Terrorisme en Contraterrorisme van de Universiteit Leiden.