Aegon moet beleggers vergoeden

Het Amsterdamse gerechtshof deed gisteren uitspraak in een van de vele woekerpoliszaken. Verzekeraar Aegon heeft beleggers misleid.

Verzekeraar Aegon moet een groep kopers van beleggingsproduct Koersplan een schadevergoeding betalen omdat zij door de verzekeraar misleid zijn. Dat heeft het gerechtshof in Amsterdam gisteren bepaald. Het is de grootste nederlaag voor de verzekeraar in de zogeheten woekerpolisaffaire die het bedrijf mogelijk een miljard euro kan gaan kosten.

Het gerechtshof oordeelt in de slepende kwestie tussen stichting Koersplan de weg kwijt en Aegon dat de documentatie van de verzekeraar over het beleggingsproduct „onvolledig en onjuist” was. Voor de deelnemers was bijvoorbeeld niet duidelijk wat de hoogte van de overlijdensrisicopremie was die de deelnemers kwijt waren. Verzekeraar Aegon liet gisteren weten in cassatie te gaan tegen het vonnis bij de Hoge Raad. In de reactie geeft de verzekeraar toe dat de „communicatie” naar klanten in de periode 1989 tot en met 1998 beter had kunnen zijn. Maar die is inmiddels sterk verbeterd, stelt Aegon.

Het gerechtshof heeft bepaald dat de verzekeraar de deelnemers aan het product 85 procent van de ingelegde overlijdensrisicopremie moet terugbetalen. De stichting denkt dat de aangesloten gedupeerden, in bezit van rond de 23.000 polissen Koersplan, recht hebben op een gemiddelde schadevergoeding van 1.400 euro per polis, waarmee het schadebedrag voor Aegon uitkomt op ruim 32 miljoen euro.

Aegon zegt in reactie dat volgens het hof klanten een „redelijke premie” moeten betalen voor de overlijdensrisicoverzekering. Maar Aegon stelt dat de bepaling van het hof van een redelijke premie gebaseerd is op een „arbitrair voorbeeld” dat niet „representatief” is. Daarom gaat de verzekeraar in cassatie.

Kopers van het product moesten periodiek een bedrag betalen. Dat geld werd door de verzekeraar gebruikt voor drie dingen. Een deel ging naar de spaarkas, waarvan de inhoud belegd werd en voor rendement moest zorgen. Een ander deel was de overlijdensrisicopremie die de deelnemers verplicht moesten betalen en een gedeelte van de periodieke inleg ging op aan kosten die de verzekeraar maakte voor het administreren en beheren van de spaarkas. Na afloop van de looptijd van het beleggingsproduct, tussen de 12 en 40 jaar, krijgen de deelnemers hun inleg en het hiermee behaalde rendement uitgekeerd.

De overlijdensrisicoverzekering die de kopers van het product verplicht afsloten, regelt dat nabestaanden van deelnemers die tussentijds overlijden de inleg met rente terug krijgen. Maar in de contracten was niet terug te vinden hoe hoog de overlijdensrisicopremie was en dus ook niet welk deel van de inleg daadwerkelijk gebruikt werd om te beleggen. In totaal verkocht Aegon tussen 1989 en 1998 bijna 700.000 keer het beleggingsproduct Koersplan.

Het gerechtshof stelt overigens dat niet al die beleggers zich nu rechtstreeks op het vonnis kunnen beroepen om schade te claimen bij Aegon. Wel kunnen ze het vonnis gebruiken ter ondersteuning in een eigen zaak tegen de woekerpolis van Aegon. Als de beleggers in Koersplan dat massaal doen, kan het schadebedrag oplopen tot bijna een miljard euro.

De personen die zich hebben aangesloten bij stichting Koersplan de weg kwijt kunnen ook niet meteen het bedrag bij Aegon opeisen. Het vonnis is „niet bij voorraad uitvoerbaar”, wat betekent dat Aegon pas hoeft te betalen nadat de Hoge Raad zich over het vonnis heeft gebogen.

De ophef over de hoge kosten van beleggingsproducten ontstond rond 2006, toen bleek dat hoge kosten de vaak toch al tegenvallende beleggingsresultaten drukten. De beleggingshypotheken en beleggingsverzekeringen kregen daardoor de bijnaam woekerpolissen. Sinds de jaren ‘90 werden rond de 7 miljoen woekerpolissen verkocht. In 2008 werd het voor verzekeraars verplicht om klanten jaarlijks een overzicht te geven van de opgebouwde waarde, de ingelegde premie voor overlijdensrisico- of arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en de kosten.

In 2008 was Delta Lloyd de eerste verzekeraar die een schikking trof. Delta Lloyd trok toen 300 miljoen euro uit voor in totaal zo’n 300.000 klanten. De Financiële Ombudsman Jan Wolter Wabeke adviseerde eerder dat jaar verzekeraars maximaal 2,5 procent aan kosten mogen inhouden op dergelijke polissen en in uitzonderlijke gevallen 3,5 procent. Hij zei toen dat de verzekeraars op zijn minst de kosten boven 3,5 procent zouden moeten vergoeden.