Wie haat zaait

Psychopaat of politicus? Hoogleraar forensische psychiatrie Hjalmar van Marle bestreed gisteren op Radio 1 de veronderstelling dat het manifest van de Noorse terrorist Breivik duidt op een psychische stoornis. Van psychopathologie kon hij in het manifest geen spoor vinden, wel van fundamenteel rechtse overtuigingen. Hij noemde de massamoordenaar dan ook „een politicus” zoals Hitler of Osama bin Laden politici waren.

Ik denk dat psychopaat en politicus allebei van toepassing zijn. De werkelijkheid is ingewikkelder dan in een tweet van Wilders („de dader is een gewelddadige zieke psychopaat”) kan worden samengevat. Wij moeten ons hiermee bezighouden en niet van ontzetting sprakeloos blijven, want wat in Noorwegen gebeurde, bevestigt het ontstaan van een nieuw type terrorisme. Het is anders dan de op prominenten gerichte aanslagen van de Rote Armee Fraktion en de Brigate Rosse in de jaren zeventig van de vorige eeuw, maar ook anders dan de jihadistische terreur die op grote schaal willekeurige burgers als doelwit kiest om angst te verspreiden.

De historicus en terrorisme-expert Walter Laqueur (auteur van A History of Terrorism en No End to War: Terrorism in the Twenty-first Century) heeft als eerste het type van de individuele terroristische amokmaker beschreven. De onmetelijke haat die een dergelijke terrorist drijft, heeft altijd complexe oorzaken. Daartoe behoren politieke motieven, religieuze en nationalistische ressentimenten, maar ook fanatisme, vernietigingsdrang, en ja, ook waanzin, doorgaans paranoia.

Op de psychopathologische dimensie is moeilijk vat te krijgen bij de preventie van terrorisme. Des te belangrijker is het onderkennen van de politieke dimensie. Ik begrijp dat vertegenwoordigers van de PvdA, D66 en GroenLinks hun best doen om de indruk te vermijden dat zij de Noorse tragedie willen misbruiken om de PVV zwart te maken. Zij wijzen de verfoeilijke methode van guilt by association, waar Wilders cum suis zelf zo in uitblinkt, van de hand. Gelukkig maar. Niemand zit te wachten op verdere polarisatie.

Maar het krampachtig depolitiseren van de motieven van de Noorse terrorist, die het expliciet gemunt had op de sociaal-democratie, gaat voorbij aan de realiteit. De International Herald Tribune merkte gisteren op dat het succes van populistische partijen de haat tegen minderheden en immigranten heeft verplaatst van de stamtafel en de internetchatrooms naar „main stream politics”: „Terwijl deze partijen zelf geweld niet goedkeuren, zeggen deskundigen dat een klimaat van haat in het politieke debat gewelddadige individuen heeft aangemoedigd.”

Als Wilders over zijn Noorse bewonderaar twittert: „De dader is een gewelddadige zieke psychopaat”, dan heeft hij misschien gelijk. Al wreekt zich hier dan toch de woordinflatie die hem er toe bracht een minister van de Kroon in het parlement knettergek te verklaren. Maar als hij aan deze diagnose toevoegt dat „de PVV alles verafschuwt waar die man voor staat”, dan schreeuwt dat om een nadere verklaring. Dan moet de PVV nu eens punt voor punt de politieke inhoud van het manifest van de dader verwerpen.

Dat zal niet gaan. De waarheid is namelijk dat de PVV punt voor punt en woord voor woord, tot aan het ranzige vocabulaire toe, datgene heeft verkondigd wat de moordenaar in zijn manifest schrijft. Dit maakt de partij van Wilders niet medeplichtig aan bloedvergieten, maar wel aan het vergiftigen van – soms uiterst labiele – geesten.

Het begrippenapparaat van de terrorist Breivik komt van a tot z overeen met dat van PVV-ideoloog Martin Bosma in zijn boek De schijn-élite van de valse munters. De strijd gaat bij beiden tegen de ‘goedmensen’ (ooit dacht ik dat dit een ironische uitvinding van Bosma was, maar het blijkt het extreem-rechtse codewoord voor de vijand te zijn). De vijand, dat is het ‘cultureel marxisme’, wat Breivik wilde uitroeien. Bosma definieert het ‘cultureel-marxisme’ als volgt: „afkeer van de natiestaat, internationalisme, verheerlijking van de derde wereld, maakbaarheid van de samenleving, hulpverleningssyndroom, negatief tegenover het christendom en cultuurrelativisme”. Alle vermeende aanhangers van dit „shariasocialisme” worden door Bosma, op gezag van een privédetective, in zijn boek met name genoemd. De ergste is uiteraard de leider van de PvdA, oud-burgemeester van „Islamsterdam”. Lachen maar. Maar het lachen vergaat ons, als op de „shariasocialisten” het vuur wordt geopend door een zieke geest. Een naargeestige overeenkomst in het gedachtegoed is verder Bosma’s associatie van de PvdA met het nationaal-socialisme en de benaming die Breivik zijn grote aantal jonge slachtoffers gaf: Stoltenberg-Jugend.

Sinds de moord op Fortuyn loopt half Nederland op eieren. Men is bang Wilders te ‘demoniseren’. Dat geeft de PVV de gelegenheid zich te onttrekken aan politieke discussie en verantwoording. Wilders en de zijnen kiezen hun ‘eigen’ journalisten om mee te praten, weigeren interviews waarbij kritische vragen kunnen worden gesteld; zij kunnen erop rekenen dat elke tweet of persverklaring klakkeloos gereproduceerd wordt in alle journalistieke media, alsof het een oekaze van de tsaar betrof. Laat Wilders nu eens direct antwoord geven op vragen. Men mag van PVV’ers eisen dat ze zich bezinnen op hun eigen rol.