'Productiedwang schaadt het Nederlandse cabaret'

Harry Kies verkocht zijn impresariaat en neemt een time-out. „Allerlei jonge cabaretiers hebben geen inhoudelijke motieven meer voor een programma.”

„Veel cabaretiers vinden de grap belangrijker dan de intentie waarmee die grap wordt gemaakt.” Die opvatting komt Harry Kies vaak tegen, vooral als hij praat met kandidaten voor het Leids Cabaretfestival. „En als je daar kritiek op hebt, antwoorden ze: maar er werd toch gelachen, dus wat is het probleem? Terwijl ik nog steeds vind dat je als cabaretier moet weten waarom je een bepaalde grap maakt. Wat je ermee wilt zeggen.”

Wat dat betreft is hij dezelfde gebleven als de sociologiestudent die in april 1978 medeorganisator was van het eerste Leids Cabaretfestival, waar van de deelnemers „een persoonlijk en eerlijk engagement” werd geëist – als tegenhanger voor andere festivals waar de vorm vaak belangrijker werd gevonden dan de inhoud.

Toen hij vervolgens wervende briefjes aan jeugdcentra ging schrijven om een podium te zoeken voor de cabaretiers die hij veelbelovend vond, groeide daaruit het theaterbedrijf dat een van de belangrijkste cabaretimpresariaten van het land zou worden. Waarbij inhoud en engagement het handelsmerk bleven: „We zijn geen dozenschuivers, we zijn altijd persoonlijk heel betrokken geweest bij de programma’s van de cabaretiers voor wie we werken.”

Harry Kies (57) neemt maandag 1 augustus afscheid van Harry Kies Theaterprodukties. Het theaterbureau is overgenomen door Helga Voets die jarenlang zijn mededirecteur was. Zij zet de zaken voort onder de naam Bunker Theaterzaken, vernoemd naar haar favoriete boek Dreams from Bunker Hill van John Fante. Intussen neemt Kies, zoals hij zegt, „eerst een time-out”. Wat hij daarna gaat doen, weet hij nog niet: „Maar ik kan me niet voorstellen dat het niet iets met kunst en cultuur te maken zal hebben.”

Ruim dertig jaar lang is hij theaterproducent geweest. De grootste mijlpaal dateert uit april 2003, toen het nog steeds door zijn impresariaat georganiseerde Leids Cabaretfestival het 25-jarig bestaan vierde met negen uitverkochte avonden in theater Carré. „Carré is voor veel cabaretiers een hoogtepunt in hun carrière. En ook voor mij als producent was Carré een jongensdroom. Nadat die zomer ook de montage van de achtdelige tv-serie over dat jubileum achter de rug was, heb ik een jaar vrijaf genomen. Blijkbaar speelde ik toen al met de gedachte dat het tijd werd om iets af te ronden. Ik heb nooit geambieerd een vrij groot bedrijf te leiden. Dat is gebeurd zonder dat ik het van plan was. Nu wilde ik wel eens een andere kant op.”

Dat andere kwam in 2005, toen hij op verzoek van de makers medeproducent werd van de musical Turks Fruit. „Daar ben ik aangestoken door het virus van het muziektheater.” Met hetzelfde team maakte hij in de daaropvolgende seizoenen de musicals Route 66, Dromen zijn bedrog en Herinnert u zich deze nog?, waarin nieuwe verhalen werden verteld rondom bestaande pop- en rockhits. Hij bedacht die shows zelf en was intensief betrokken bij de muziekkeuze: „Heel interessant om als producent in een creatief team te zitten; dat was ik niet gewend.”

Maar het bleek steeds lastiger te worden daarmee op te boksen tegen de grote musicals met de grote marketingbudgetten. Turks Fruit trok nog zo’n 50.000 bezoekers. Het afgelopen seizoen werden echter voor Herinnert u zich deze nog?, met hits uit de Veronica-tijd, slechts 14.000 kaartjes verkocht. Dat betekende voor Kies’ theaterbedrijf een forse verliespost. „De eerste reflex zou dan misschien zijn dat je revanche wilt nemen. Dat je het ongelijk wilt bewijzen van al die mensen die de laatste keer niet meer kwamen kijken. Maar ik had geen idee voor een nieuwe voorstelling, en bovendien wilde ik niet in de val van de productiedwang trappen. Je ziet dat vaak in de vrije sector: dan wordt een nieuwe productie niet meer gemaakt uit artistieke aandrang, maar omdat er simpelweg een nieuwe productie moet komen.”

Het is dezelfde productiedwang die ook het cabaret schaadt, vindt hij: „Het eerste programma van een jonge cabaretier wordt meestal in anderhalf jaar gemaakt en is het resultaat van vele jaren nadenken en observeren. Voor het tweede is dan meestal nog wel genoeg stof over. Maar het derde is in veel gevallen cruciaal. Dan is er eigenlijk te weinig tijd geweest om iets nieuws te maken. Terwijl het vierde alweer in de planning staat. Ooit heb ik me sterk gemaakt voor een subsidietraject waarin beginnende cabaretiers de kans zouden krijgen om aan nieuw materiaal te werken zonder meteen weer te moeten optreden. Dat is niet gelukt, omdat cabaret niet als kunst wordt beschouwd. Het gevolg is dat allerlei jonge cabaretiers na een paar jaar zijn uitgewoond. Dan zijn er geen inhoudelijke motieven meer voor een nieuw programma; dan wordt het een winkel die moet draaien. Dat is een zorgelijke ontwikkeling.”