Overal in Oslo worden rozen achtergelaten

Weer treft de stilte. Het plein voor het Raadhuis aan de haven van Oslo blijft maar volstromen met mensen, blond, bruin, zwart, met hoofddoek. Heel veel jongeren, gothics, getatoeëerde en gepiercte body’s, studenten, scholieren, heel veel ouders met kinderen ook. Tienduizenden mensen. Vrijwilligers delen gratis koffie en rozen uit. De toespraak van kroonprins Haakon is een uur vertraagd, dus het geduld wordt op de proef gesteld. Maar niemand vertrekt. Opeens, alsof afgesproken, gaan alle rozen de lucht in, minutenlang, in doodse stilte. De rillingen lopen over je rug. Haakon spreekt, Stoltenberg spreekt. De rustige, intens ogende sociaal-democratische premier is dezer dagen overal. Bij de kerk, in het parlement, bij de ouders, op de universiteit, bij de plek van de autobom, bij Utøya, bij de gewonden in het ziekenhuis. Hij heeft zich er immens populair mee gemaakt en krijgt overal applaus. Eskil Pedersen, leider van de jongerenorganisatie van de Arbeiderspartij spreekt. En telkens gaan als bij toverslag die duizenden rozen omhoog.

Na de toespraken trekt men langs het parlement, langs de Domkerk, waar steeds meer bloemen en waxinelichtjes worden achtergelaten, naar de plek van de bomaanslag – de zwaarst getroffen straten zijn weer toegankelijk, alleen bij het regeringskantoor staat nog een afzetting – en terug naar het Raadhuisplein. Onderweg worden overal rozen achtergelaten, in hekken gevlochten, aan bedelaars gegeven, bij bomen neergevlijd. Het enige ‘harde geluid’ is een tekst bij het parlement die de regering oproept Breivik geen 21 jaar te geven (de hoogste strafmaat), maar 21 jaar per getroffen gezin. ’s Avonds laat bij de Dom zingen tussen de menigte twee jonge vrouwen met lange blonde krullen zachtjes, maar met sterke stem, een droevig lied. Een van hen draagt een slapende baby op de borst. (LS)