Onder een Van Gogh zit er soms nog eentje

Van Gogh in Antwerpen en Parijs: Nieuwe inzichten. T/m 18 september in het Van Goghmuseum, Paulus Potterstraat 7, in Amsterdam. Dagelijks van 10-18 uur en vrijdags tot 22 uur. Inl: vangoghmuseum.nl ****

Je staat er niet altijd bij stil, maar Vincent van Gogh heeft maar een kleine tien jaar geschilderd. De meer dan 850 schilderijen die we van hem kennen zijn in die betrekkelijk korte periode ontstaan, en de meeste bekende werken zelfs in de laatste vijf jaar. Op een tentoonstelling over zijn Parijse jaren in het Van Goghmuseum blijkt nu dat zijn totale productie toen zelfs nog groter was: onder ongeveer eenderde van zijn schilderijen uit die jaren gaat een eerder, kennelijk afgekeurd werk schuil.

Zulke onzichtbare schilderijen worden soms zichtbaar op röntgenfoto’s. Naast een stilleven van een paar versleten werkmansschoenen hangt een röntgenfoto waarop met enige moeite een stadsgezicht te herkennen is. Volgens conservator Louis van Tilborgh en restaurator Ella Hendriks van het museum is dat Vincent van Goghs uitzicht in Parijs. Dat de schoenen over het uitzicht heen geschilderd zijn, betekent dat het schilderij uit zijn Parijse periode moet dateren en niet, zoals eerder wel werd gedacht, uit zijn Brabantse tijd.

Van Tilborgh en Hendriks hebben de afgelopen jaren zeer grondig onderzoek verricht naar de 87 Parijse schilderijen van Vincent van Gogh in de museumcollectie. Vorige maand verschenen hun bevindingen in een ruim 600 bladzijden dikke, aantrekkelijk vormgegeven catalogus. De onderzoeksresultaten voorzien in een grote behoefte, want Van Gogh woonde in Parijs bij zijn broer Theo in en schreef er nauwelijks brieven. Er is dus over Vincent van Goghs Parijse tijd, die duurde van maart 1886 tot februari 1888, veel minder bekend dan over de rest van zijn werkzame leven.

Uitgerekend in die twee Parijse jaren ontwikkelde Van Gogh zich van een schilder van boerentaferelen in een donker palet, die niets van het impressionisme moest hebben, tot de nu zo beroemde postimpressionist die zijn beleving van vorm en licht vertaalde in heldere kleurstreepjes. Van realist tot modernist, zo vat Van Tilborgh de ontwikkeling samen in een van zijn essays.

Op de tentoonstelling worden acht uitkomsten van het onderzoek gepresenteerd – veel beknopter dan in het boek, natuurlijk, maar wel met de originele werken erbij. De werkmansschoenen blijken dus over een uitzicht heen te zijn geschilderd. Een zelfportret en een stilleven met rode kolen blijken er door verkleuring heel anders uit te zien dan Van Gogh ze bedoelde. Uit rasterpatronen onder de verflaag blijkt dat hij bij het landschapschilderen geregeld gebruikmaakte van perspectieframen. Zo blijkt een scène in een park in Parijs te zijn geschilderd, en niet in een dorpje even buiten de stad, zoals eerder werd aangenomen.

Het achtste en laatste vraagstuk heeft al wat stof doen opwaaien in de media en de kunstwereld. Van twee kleine portretten uit 1887, die altijd als zelfportretten van Vincent werden beschouwd, wordt er nu één als portret van Theo geëxposeerd. Die identificatie is gebaseerd op subtiele verschillen tussen de geschilderde koppen. Maar Van Gogh was niet altijd zo’n subtiele portretschilder en zijn broer en hij leken ook nogal op elkaar. Het is een aantrekkelijk idee dat Vincent op hetzelfde formaat een portretje van zichzelf maakte en een portretje van Theo – maar hard te maken is het niet.

Intussen word je door de redenering van de onderzoekers wel gedwongen de twee koppen nog eens heel precies te bekijken. En die werking hebben alle acht de getoonde voorbeelden. Je ziet het aan de bezoekers van de tentoonstelling: die schuifelen nu eens niet plichtmatig aan de Van Goghs voorbij, maar blijven stilstaan om de schilderijen aandachtig te bestuderen en te bespreken.

Nieuwe inzichten is zo’n voorbeeldige tentoonstelling waarin het publiek wordt aangezet tot beter kijken. Naar werk uit de eigen collectie, nota bene, want er kwam geen bruikleen aan te pas. Het is dus ook een tentoonstelling die tot voorbeeld kan strekken voor musea die door de bezuinigingen minder geld te besteden krijgen.