Nee , hier geen paraffine tegen de kou in Zuid-Afrika brother

Johannesburg. „Zo jongen, zit jij weer lekker met je slippertjes aan op de veranda?” De baas belt vanuit Rotterdam om over een stuk te praten.

Ik zit in mijn kantoor in Johannesburg met drie truien aan en een straalkacheltje tussen mijn benen. In de rest van het huis is het 11 graden, maar dankzij het kacheltje heb ik de temperatuur hier tot 14 graden Celsius weten op te voeren. Mijn vingers zien blauw als ik voor dit stukje probeer de juiste toetsen van mijn laptop aan te slaan.

Het misverstand moet nu maar eens de wereld uit. Het is niet warm in Afrika. Althans, niet overal. Johannesburg ligt op bijna 1.700 meter hoogte en in juli en augustus, winter op het zuidelijk halfrond, kan het ’s nachts vriezen.

Overdag warmt het in de zon meestal op tot zo’n 18 graden, maar door een stramme wind en beroerd gebouwde huizen blijft het binnen vaak koud.

In de Vrijstaat-provincie en de Oost-Kaap ligt inmiddels op sommige plaatsen een pak sneeuw, snelwegen zijn afgesloten wegens ijsvorming en de eerste ‘koudetoeristen’ zijn alweer gesignaleerd in Sutherland, een stadje met boeren en astrologen in de Noord-Kaap, dat prat gaat op de laagste temperaturen van het land. In 2003 was het daar min zestien.

„Maar jij komt uit Nederland”, probeerde een vriendin toen ik met haar afsprak om in een warm barretje in het centrum van de stad koffie te gaan drinken. „Bij jullie is het toch altijd koud?”

In Nederland hebben we centrale verwarming, legde ik uit. Omdat het normaal gesproken slechts twee maanden winter is, hebben maar weinig huizen in Zuid-Afrika serieuze verwarming. Op de afspraak bracht de vriendin een mooie wollen sjaal voor me mee.

Het barretje in de stad heeft een airconditioner die ook warme lucht uitblaast. Zoiets vreet stroom, net als het elektrische straalkacheltje onder mijn bureau. En stroom is iets waar Zuid-Afrika een structureel tekort aan heeft.

Vooral in de winter waarschuwt het nationale energiebedrijf Eskom dat de capaciteit de vraag niet aan kan.

’s Ochtends vroeg, als het hele land een kopje thee wil zetten, onder de douche staat en de straalkacheltjes aanschakelt, wil de stroom nog wel eens uitvallen. Netwerk overbelast.

Zonder straalkacheltje kan ik niet typen. Dus toen Eskom het laatst op een ochtend liet afweten, ging ik op zoek naar andere warmtebronnen. Ik had mijn zinnen gezet op een paraffinebrander. Maar dat bleek een politiek gewaagde keuze. De verkoper keep me bezorgd aan.

Ook zeventien jaar na het eind van de apartheid kleeft in Zuid-Afrika aan alles wat je doet een impliciet oordeel over klasse of huidskleur. En paraffinebranders worden eigenlijk alleen door arme, meest zwarte Zuid-Afrikanen gebruikt.

Maar op bezoek in het golfplaten huisje van een zwarte familie in de Oost-Kaapprovincie ontdekte ik vorige winter dat die uit China geïmporteerde paraffinebranders weliswaar tot brandgevaarlijke situaties kunnen leiden, maar een tochtige ruimte uitstekend verwarmen. „Doet u er meteen maar een jerrycan paraffine bij”, zei ik.

Maar paraffine had de verkoper in de bouwmarkt niet. Daarvoor ga je naar een benzinestation, legde hij me giechelig uit. De pompbediende bij het Shell-station waar ik altijd mijn tank laat volgooien keek me iets later evengoed verbouwereerd aan. „Nee brother, geen paraffine hier. Daarvoor moet je aan de andere kant van de koppie zijn.”

Hij bedoelde de ietwat verpauperde buurt aan gene zijde van de rotspartij die onze wijk in tweeën snijdt.

De paraffinebrander staat nu alweer een paar dagen ongebruikt in mijn kantoor. Ik ga niet dagelijks over de koppie. Als de stroom weer uitvalt, zal ik mijn zoektocht voortzetten.

Tot die tijd red ik me wel met dat straalkacheltje tussen mijn benen. En eind augustus, als negen maanden zomer beginnen en ik op mijn slippertjes op de veranda mijn stukjes tik, dan ben ik de kou van vandaag weer vergeten.

Peter Vermaas