Louter topvideokunst in privémuseum Julia Stoschek

Number Five: Cities of Gold and Mirrors. T/m zomer 2012 in de Julia Stoschek Collection, Schanzenstrasse 54, Düsseldorf. Open: alleen op zaterdagen van 11 tot 18 uur. Inl: julia-stoschek-collection.net ****

In de verduisterde ruimte van de Julia Stoschek Collection in Düsseldorf knettert en flikkert een metersgroot kunstwerk van jewelste. Het lokt het alle bezoekers als motten naar zich toe. Van een afstandje doet White Noise (2007) van de Litouwse kunstenaar Zilvinas Kempinas nog het meest denken aan een zwartwittelevisie met storing, van dichtbij blijkt dat de horizontale banen bestaan uit ouderwetse videotape, in beweging gezet door een sterke ventilator. Ook als je dat gezichtsbedrog eenmaal doorhebt, blijf je er gehypnotiseerd naar staren – zo intens zinderend is dit meesterwerk.

De 36-jarige Julia Stoschek, miljonairsdochter en partner van fotograaf Andreas Gursky, is een van de jongste kunstverzamelaars van Duitsland. Als exponent van de MTV-generatie heeft ze zich volledig gericht op het aankopen van mediakunst.

Die collectie toont Stoschek sinds 2007 op voorbeeldige wijze in haar woonhuis annex privémuseum in een voormalige lijstenfabriek. Het is het soort museum waarvan je zou willen dat het om de hoek lag – gratis toegankelijk en met louter topwerken van bekende kunstenaars als Francis Alÿs, Olafur Eliasson en David Claerbout.

De nieuwe collectiepresentatie Number Five: Cities of Gold and Mirrors heeft geen vastomlijnd thema maar laat wel mooi zien met welke onderwerpen kunstenaars zich op dit moment bezighouden. Het stedelijke landschap, en specifieker de ruïnes die het modernisme heeft achtergelaten, is een rode draad die subtiel door de tentoonstelling loopt. Op meerdere videoschermen keren ze terug, de blokkentorens in de buitenwijken van Kiev, Parijs of Cancún. Traag trekt de camera in de films van Clemens von Wedemeyer langs de flatgebouwen van Leipzig, ooit het summum van modern wonen maar inmiddels rijp voor de sloop. Geagiteerd schieten in de stop-motionfilm Le Vele di Scampia van Tobias Zielony foto’s voorbij van betonnen portieken in nachtelijk Napels, eens een revolutionair ontwerp voor sociale woningbouw, nu het territorium van de maffia.

De Franse kunstenaar Cyprien Gaillard verbeeldt het falen van deze utopische bouwprojecten het meest letterlijk. Hij filmde op verschillende plekken op de wereld de ontmanteling van deze gebouwen. Soms gaat dat met veel bombastische lichtshows gepaard, alsof met het laten imploderen van de architectuur ook de overwinning op totalitaire regimes nog eens gevierd wordt. Hoe dan ook levert het schitterende beelden op, van glazen hotels die trillend door hun knieën zakken, of immense flatgebouwen die in luttele seconden tot gruis verpulveren.

Het mooie van deze tentoonstelling is dat er ook lijntjes lopen naar oudere kunstenaars die zich met deze thematiek bezighielden – want ook meer historisch videowerk heeft Julia Stoschek uitstekend verzameld. Een belangrijke rol is weggelegd voor de Amerikaan Gordon Matta-Clark, die al in de jaren zeventig kritiek had op de teloorgang van sommige Amerikaanse steden. Hij gebruikte leegstaande fabrieken en woonhuizen als materiaal voor zijn kunstwerken, sneed er met een kettingzaag hoeken en spleten uit en bracht zo weer poëzie in de afgebladderde panden.

In zijn video Splitting (1974) is te zien hoe hij een wit houten huis doormidden zaagt, dwars door verschillende verdiepingen heen. Als twee taartpunten valt het huis vervolgens uiteen, met als hoogtepunt het moment dat een zonnestraal dwars door het gebouw heen over het gazon in de voortuin glijdt.

Het is mooi om te zien hoe de rauwe beeldtaal van Matta-Clark parallellen heeft met de al even anarchistische Gaillard. En hoe zij beiden schoonheid weten te vinden op plekken van destructie.