Jens Stoltenberg was niet eerder zo populair

De Noorse premier Jens Stoltenberg wist na de aanslagen de juiste toon te treffen. Hij versterkte zo de solidariteit onder de Noren en bereikte daarmee het tegendeel van wat Anders Breivik had gehoopt.

Wat moeten we met onze rijkdom? Dat is voor iedere Noorse politicus een van de belangrijkste vragen sinds Noorwegen een van de grootste olieproducenten ter wereld werd. Ook de sociaal-democraat Jens Stoltenberg, de 52-jarige premier van Noorwegen, heeft zich die vraag herhaaldelijk gesteld. En zijn antwoord wijkt niet af van dat van de meeste van zijn collega’s: we moeten onze rijkdom met mate gebruiken. Het geld moet eerlijk verdeeld worden. Een groot deel moet bewaard worden voor toekomstige generaties.

Door dit luxeprobleem valt het voor Noorse politici niet mee zich te onderscheiden. Dat is extra moeilijk omdat veel Noren juist vinden dat er af en toe wel eens wat royaler met oliegeld zou mogen worden gestrooid.

Hanne-Marthe Narud, politicoloog aan de Universiteit van Oslo, spreekt van een „frustratiekloof”. In een telefonisch interview zegt Narud dat die kloof ertoe leidt dat de Noren hun regering bij de volgende verkiezingen gewoonlijk het liefst naar huis sturen.

Dat zou bij de verkiezingen in 2009 dan ook vrijwel zeker met Stoltenberg zijn gebeurd. Ware het niet dat hij Noorwegen soepel door de wereldwijde economische crisis wist te leiden – onder andere door een fors beroep te doen op de oliewinsten.

Stoltenberg werd daarvoor door de kiezers beloond. Bovendien, zegt Narud, was er nauwelijks een alternatief. Stoltenberg leidt een regering met zijn eigen Arbeiderspartij (64 zetels) Socialistisch Links en de Centrumpartij (beide 11 zetels), net genoeg voor een meerderheid. Zelfs als rechts een meerderheid had behaald, waren de partijen te verdeeld om te regeren. Vooral regeringsdeelname van de rechts-populistische Vooruitgangspartij stuit bij anderen op weerstand.

„De Conservatieven, die het heel goed doen in opiniepeilingen, willen wel met de Vooruitgangspartij regeren”, zegt Narud, „maar alleen als ook andere rechtse partijen meedoen. En die willen dat niet. De Liberalen zijn niet bereid om hun standpunt over milieu – voor hen een belangrijk thema – te wijzigen. De christen-democraten hechten heel veel waarde aan ontwikkelingshulp. En eigenlijk vinden alle partijen de visie van de Vooruitgangspartij op immigratie onacceptabel.”

De Vooruitgangspartij is de enige grote politieke partij (41 zetels) die vindt dat veel meer oliegeld moet worden ingezet voor verhoging van pensioenen, verbetering van de volksgezondheid en het onderwijs, financiering van de sociale zekerheid – dan kan ook de belasting omlaag.

Het heeft de partij volgens Narud weliswaar politiek geïsoleerd, maar bij veel twijfelende kiezers juist populair gemaakt. Zeker in de jaren negentig misschien zelfs meer dan het standpunt over het beperken van de immigratie. Uiteindelijk laten de Noren zich bij hun partijkeuze volgens Narud meestal leiden door sociaal-economische motieven.

Anders Breivik wilde met zijn terreurdaden in Olso en op Utøya het politieke landschap in Noorwegen drastisch veranderen. Maar voorlopig lijkt hij eerder het tegenovergestelde bereikt te hebben van wat hij had gehoopt.

De Vooruitgangspartij, die met zijn anti-immigratiebeleid nog het dichtst bij de visie van Breivik komt, zal volgens Narud door de Noren waarschijnlijk niet verantwoordelijk worden gehouden voor het drama. Maar hoe dan ook is Stoltenberg door zijn optreden van de afgelopen dagen – met de juiste mengeling van betrokkenheid en vastberadenheid – populairder dan ooit. De ‘Rozenmars’ van gisteren in Oslo noemde hij „een mars voor democratie, een mars voor tolerantie, een mars voor eenheid”. Het kwaad, zei Stoltenberg „kan een mens doden, maar nooit een volk verslaan”.

De Noren, denkt ook Narud, zullen „extra willen zorgdragen voor de democratische instellingen van het land.”