Complexe steun Grieken iets helderder

Met zichtbare tegenzin geeft het kabinet meer details over extra hulp aan de Grieken. De zo vurig gewenste bijdrage van banken en beleggers blijkt wat tegen te vallen.

Vier dagen had minister Jan Kees de Jager (Financiën, CDA) nodig om uit te leggen wat premier Rutte precies had afgesproken op de eurotop in Brussel afgelopen donderdag.

Dat Griekenland een nieuw steunpakket zou krijgen was duidelijk. Dat banken, pensioenfondsen en verzekeraars moeten bijdragen was ook helder. Maar wie wat betaalt en wanneer, daar liepen de meningen over uiteen.

Na afloop van de top beweerde premier Rutte dat de steun van de banken meetelt in het tweede Griekse reddingspakket van 109 miljard euro.

Gisteravond laat liet De Jager in een ingewikkelde brief weten dat de lezing van Rutte niet klopt. „Het voorliggende pakket van 109 miljard euro wordt opgebracht door de publieke sector”, schrijft De Jager. De publieke sector bestaat uit het Europese steunfonds EFSF en hoogst waarschijnlijk het Internationaal Monetair Fonds. De raad van bewindvoerders van het IMF moet nog beslissen over een tweede Griekse redding.

De Jager erkent dat het complexe materie is. „Het totaalplaatje is dan ook zeker niet eenvoudig, vanwege het door elkaar lopen van publieke (officiële) en private bijdragen”, schrijft de minister. Uit de brief blijkt dat het IMF en de lidstaten van de eurozone tot 2020 in ieder geval 163 miljard euro aan Griekenland uitgeven. De publieke sector moet 88 miljard uitgeven aan het dichten van het Griekse financieringsgat tot 2014, 20 miljard aan het opkopen van Griekse staatsobligaties in handen van banken, 20 miljard aan steun voor zwakke banken en 35 miljard aan garanties dat banken die hun obligaties omwisselen hun inleg terug zien.

De ministers van de eurozone trekken van dat totaalbedrag 54 miljard euro af. Dat is het bedrag dat banken zouden bijdragen, onder meer door aflopende obligaties om te wisselen voor nieuw Grieks schatkistpapier. Volgens De Jager bedraagt de totale publieke bijdrage tot 2020 dan 109 miljard euro.

Uit de brief van De Jager blijkt hoezeer Duitsland en Nederland gebrand waren op een bijdrage van banken, pensioenfondsen en verzekeraars. Tot 2020 moet Griekenland, met geldsteun van het IMF of het noodfonds EFSF, 55 miljard euro uitgeven om de banken zo ver te krijgen mee te betalen. Sommige analisten vragen zich af of Griekenland beter af is nu banken worden gedwongen bij te dragen. Volgens berekeningen van Hugh Dixon van Breaking Views stijgt de Griekse staatsschuld door de garanties voor de banken die de Grieken moeten reserveren met 14 procent tot 179 procent van bruto binnenlands product.

Kamerleden lijken het Rutte politiek niet moeilijk te willen maken. Inhoudelijk worden er wel vragen gesteld over de brief. Volgens Kamerlid Ewout Irrgang (SP) wordt een aantal cruciale onderwerpen niet behandeld. Gaat de schuld van de Grieken nu omlaag of niet? Wordt de houdbaarheid van die schuld nu verbeterd of niet? En wat betekent deze operatie nu voor de Nederlandse schatkist?

De Jager wekt in de brief de indruk dat de hoogte van de bijdrage van banken, verzekeraars en pensioenfondsen vaststaat. „De netto private bijdrage tot 2020 (106 miljard euro) is dus ongeveer vergelijkbaar met de additionele publieke bijdrage (109 miljard euro)”, schrijft de minister.

Het is echter nog lang niet duidelijk hoeveel banken zullen bijdragen. Het International Institute of Finance, dat de banksector vertegenwoordigde in onderhandelingen, benadrukte na de eurotop dat banken vrijwillig meedoen. Op de lijst instellingen die hun steun hebben toegezegd, ontbreekt een aantal banken die aanzienlijke portefeuilles Griekse staatsobligaties bezitten. Als deze banken niet meewerken zal een groter deel van de financieringslast bij het Europese steunfonds en het IMF komen te liggen.

Het lijkt er niet op dat De Jager met de brief zijn premier afvalt. Zijn ambtenaren, de directie Buitenlandse Financiële Betrekkingen, bereidden de brief voor. Het is die afdeling die belast is met het voorbereiden van vergaderingen van Europese ministers van Financiën. Zij hebben dus de afgelopen anderhalf jaar de meeste kennis opgedaan van de bijzonder ingewikkelde materie.

Volgens een woordvoerder van de Rijksvoorlichtingsdienst verhouden de uitspraken van minister-president Rutte en de brief van De Jager zich prima tot elkaar. „Die zeggen 100 procent hetzelfde. Er bestaat geen verschil in de uitleg van het akkoord.” De verwarring is volgens de woordvoerder ontstaan door de complexe brij van cijfers. Hij ontkent met klem dat andere regeringsleiders vorige week aan Rutte moesten uitleggen wat het verschil tussen bruto en netto-bedragen is.