Zolang het volk zich maar in de woorden herkende

De afgelopen zaterdag overleden Johnny Hoes was een begenadigd en productief schrijver van smartlappen. Hij had daarnaast ook een neus voor zaken doen.

Johnny Hoes wist heus wel dat er, taalkundig gezien, iets niet klopte aan de regel „Op een zeemansgraf staan nooit geen rode rozen”, uit zijn gelijknamige hit uit de jaren vijftig. Maar dat deerde hem niet, verklaarde hij menigmaal. Hij schreef de taal van het volk. En zo lang het volk zich in zijn woordkeus maar herkende, had hij zijn werk goed gedaan. Wat de intelligentsia ervan vond, was niet van belang. Zulke gestudeerde types brachten geen geld in het laatje – al voegde hij daar wel graag fijntjes aan toe dat zijn grootste successen óók op studentenfeestjes uit volle borst werden meegezongen. Aan de oerkracht van nummers als De smokkelaar en Ach was ik maar bij moeder thuisgebleven is nu eenmaal niet te ontkomen.

In een ziekenhuis in Weert, waar hij vorige week na een hartinfarct werd opgenomen, is Johnny Hoes zaterdagavond overleden. Hij was 94 jaar, maar ondanks zijn hoge leeftijd was hij tot voor kort nog altijd het hoogst actieve middelpunt van de nu door zijn kinderen en kleinkinderen gerunde platenmaatschappij Telstar. Hij bleef liedjes schrijven en artiesten ontdekken, hoewel dat nieuwe repertoire zelden meer buiten de regio te horen was. De rest van het land had aan de smartlappen en de carnavalshits uit zijn gloriejaren meer dan genoeg. Maar ook de baanbrekende rol die Hoes’ bedrijf in de jaren tachtig heeft gespeeld in de doorbraak van de Nederlandstalige popmuziek (met de groep Doe Maar als hoogtepunt) droeg danig bij aan zijn reputatie.

Johnny Hoes kwam uit Rotterdam en raakte de ronde tongval van zijn geboortestad nooit meer kwijt – terwijl hij ruim zeventig jaar lang in het zuiden des lands heeft gewoond en gewerkt. In 1939, tijdens de mobilisatie, werd hij gelegerd in Weert. Daar leerde hij zijn toekomstige vrouw kennen, en ging nooit meer uit Weert weg. Kort na de bevrijding schreef hij zijn eerste liedje, over een Amerikaanse soldaat met heimwee naar de prairie. Hij zong het op feestavonden in de regio, met eigen gitaarbegeleiding, en merkte al gauw hoe makkelijk het schrijven van zo’n nummertje hem afging. En hoe lucratief dat kon zijn. Begin jaren vijftig stuurde hij voor het eerst een liedje (Zeemanshart) naar de platenfirma Phonogram, onderdeel van het Philips-concern. Via enkele omwegen werd dat een hit voor Eddy Christiani en ook voor het duo Willy Alberti en Max van Praag.

Gretig vroeg Phonogram hem vervolgens of hij meer repertoire in dat volkse genre kon leveren. Dat kon. Zo werd Hoes freelance-producer. Hij vertaalde buitenlandse nummers (zoals de miljoenenhit Brandend Zand voor de beginnende Anneke Grönloh) en liet zijn eigen liedjes zingen door artiesten die hij zelf ontdekte. Dat was iets nieuws: wie destijds een plaat wilde maken, moest eerst via de radio enige populariteit hebben vergaard. Hoes draaide het om; zijn artiesten debuteerden op de plaat. Dat kon ook niet anders; de meeste radio-omroepen, met de VARA voorop, vonden zijn producties veel te ordinair om er zendtijd aan te verspillen.

En ook veel Phonogram-functionarissen keken erop neer. Toen hij in die dagen weer eens met een nieuwe vocaliste in de studio verscheen, vroeg de opnametechnicus hem honend: „Uit welke hoerenkast heb je díé nou weer gehaald?” Maar de verkoopcijfers bewezen wie er gelijk had. Hoes was slim en sentimenteel tegelijk – een gouden combinatie in de platenindustrie.

Zijn grootste vondst was de Limburgse cafézangeres Mary Servaes-Beij, die hij lanceerde als de Zangeres zonder Naam, om iets van een mysterie om haar kinderlijke stemgeluid te creëren. Met de nummers die hij voor haar uitzocht, werd ze de ongeëvenaarde smartlappenkoningin van Nederland. Maar naast het klaaglijke Ach vaderlief, toe drink niet meer, schreef hij ook de Nederlandse tekst voor de vakantiehit Mexico voor haar. Toen hij in 1963 zijn eigen bedrijf Telstar oprichtte, ging zij als grootste ster met hem mee.

Hoes was intussen ook zelf een populair artiest geworden, nadat hij in 1961 het lokale carnavalsnummer Och, waas ik maar beej mooder thóes gebleve had gekocht van de twee Venlose makers (een van hen was Frans Boermans, de vader van theaterleider Theu) om er een Nederlandse bewerking van te maken. Toen hij niemand bereid vond die te zingen, besloot hij het dan maar zelf te doen: „Ik gelóófde in dat nummer”, zei hij daarover. Met bijna een half miljoen exemplaren geldt deze plaat als de best verkochte Nederlandstalige single aller tijden.

Een andere klassieker waarbij Hoes betrokken was, is Hand in hand kameraden dat hij samen met de maker – de Rotterdamse entertainer Japie Valkhoff – ombouwde tot lijflied voor Feyenoord. Dat weerhield hem er overigens niet van om later voor Ajax het nummer Op een slof en een ouwe voetbalschoen te schrijven. Gelijksoortige pogingen voor Sparta en PSV waren minder succesvol.

Ook zijn eigen bedrijf Telstar was succesvol, zeker toen Johnny Hoes begin de jaren zeventig bij de van gedachten veranderde VARA zijn Met een lach en een Traan-show mocht presenteren. De meeste artiesten kwamen uit zijn eigen stal. Alleen de nummers die hij uitbracht op het ondeugend bedoelde label Ojee, waaronder het dubbelzinnige schoorsteenvegerslied Hup, zei m’n simmetje van Dikke Leo, kwamen niet voor de televisie in aanmerking. Weer een ander label, Killroy, bood in 1977 ruimte aan Oerend hard, de eerste dialectplaat van de groep Normaal. In dat voetspoor volgden een paar jaar later de Nederlandstalige hits van Doe Maar, De Dijk, Toontje Lager en Frank Boeijen. Artistieke bemoeienis had Hoes daarbij niet, maar wel moedigde hij deze nieuwe Telstar-tak van harte aan. Als het maar niet te veel kostte. In werkelijkheid werden die opnamekosten veelal omgezet in klinkende winst.

Pas nadat hun banden met Weert verbroken waren, gaven de groepen uiting aan ontevredenheid over hun aandeel in de opbrengsten.

Een soortgelijk conflict kreeg Hoes in 1977 met de Zangeres zonder Naam. Zij vond dat ze na de laatste twaalf jaar recht had op meer dan de 450.000 gulden die Hoes haar wilde betalen. De rechter bracht een schikking tot stand: de Zangeres kreeg er geen cent bij, maar was niet meer contractueel aan haar platenbaas gebonden. Ze liep over naar een andere platenmaatschappij, maar heeft na de breuk geen nieuwe hits meer gemaakt.

Hoes’ grootste succes uit de jaren tachtig was De vogeltjesdans, een Zwitsers deuntje dat hij liet spelen door het Brabantse amateurorkestje de Electronica’s.

De huidige recessie in de platenindustrie is ook aan Telstar niet voorbij gegaan. Intern brak er zelfs een conflict over de copyright-erfenis uit tussen Hoes en zijn kleinkinderen. Maar in 2004 bepaalde de rechter dat Johnny Hoes zelf de rechten op zijn muziek beheerde, en niemand anders. Hij wist immers als geen ander hoe je zaken moest doen. En hoe hij liedjes moest maken, die nooit meer uit het collectieve geheugen zouden verdwijnen.

Henk van Gelder