Woede, verbijstering, waardigheid

De rechts-extremist Anders Behring Breivik lijkt er niet in geslaagd een kloof te slaan tussen links en rechts.

Jongeren, familie en politici zoeken elkaar om te praten, te huilen en te verwerken.

Het weekeinde van 22 juli 2011, daarover zijn alle Noren het eens, zal herinnerd worden als één van de meest bizarre in de geschiedenis van dit rustige land van melk en honing. Verbijsterend, verpletterend, ongelooflijk, krankzinnig, schandalig, gekmakend, de superlatieven rollen uit Noorse monden op de televisie, in de kranten, op straat, in de huiskamers. Maar als de rechts-extremist Anders Behring Breivik de bedoeling had een kloof te slaan tussen rechts en links Noorwegen, dan lijkt hij daar niet in geslaagd. Net als de Engelsen na de terroristische aanslagen van 2005 blijven de Noren kalm en waardig. Maar de woede is er niet minder om.

Het cynisme van Breiviks dubbele aanslag, de enorme autobom in het politieke hart van de hoofdstad Oslo, gevolgd door de kille overval op de kinderen van het eiland Utøya, de Noren kunnen er niet over uit.

„Wat een stompzinnig-heroïsche daad van protest om een jeugdbeweging als doelwit te kiezen”, zegt Trond Ivar Hegge, militair psycholoog (45). Zijn dochter heeft net een bos bloemen bij de Domkerk neergelegd. „Mensen doodschieten die op de grond liggen! Het is een massamoord. Dit is zijn weg naar de roem. Treurig genoeg zullen we ons hem altijd blijven herinneren.” Noorwegen heeft net zoveel wapens en schietverenigingen als Amerika, zegt hij, „maar gelukkig lijkt het erop dat dit de daad was van een eenling.”

De vlaggen in Oslo hangen halfstok. In de lutheraanse Domkerk, vlakbij de plek van de bomaanslag, is de herdenkingsdienst voor de 93 slachtoffers afgelopen. Koning Harald verlaat de kerk, gevolgd door „de politieke adel van Noorwegen”, zoals een toeschouwer het noemt.

Honderden mensen kijken hoe enkele tientallen jonge overlevers naar de bloemenzee lopen. Snikkende blonde meisjes, jongens met het babyvet nog in hun gezicht. Lange slungels laten zich troosten door hun moeder. Het is doodstil. Zelfs de pers houdt zich koest en houdt afstand. Er is nauwelijks extra politie op de been, wat simpele dranghekken houden de mensen op afstand. „Klein naïef Noorwegen”, zegt accountant Mona Pretorius (50) in de rij voor de bloemen.

„De slechtheid van iemand die uit ideologische motieven jonge mensen kan executeren!”, zegt universitair medewerker Mona Delgado (51). „Wie weet zat onze toekomstige minister-president er wel tussen.”

De 21-jarige student economie Herman Kruse is de dans ontsprongen. Hij zou, als lid van de jeugdbeweging van de Arbeiderspartij, ook op Utøya zijn geweest als hij niet op vakantie was gegaan. Een paar vrienden van zijn vriendin worden vermist. „Ik hoop dat we pal zullen staan en volgend jaar weer teruggaan naar Utøya.”

Het regeringskwartier om de hoek is nog steeds afgesloten en wordt bewaakt door soldaten met stenguns in de aanslag. Dit is het hart van Noorwegens publiek bestuur: naast het zwaargehavende ministerie met op de vijftiende etage het kantoor van premier Jens Stoltenberg, staan de hoofdkwartieren van de Arbeiderspartij, de Liberale Partij en de Vakbond. Honderden meters in het rond knerpt het glas nog steeds onder je voeten. Alle glaszetters van Noorwegen lijken in touw om de duizenden gesneuvelde ruiten bijeen te vegen en te vervangen.

Journalist Mette Karlsvik (32) zat vrijdagmiddag met collega’s van de krant Dagsavisen in de lift op weg naar buiten om een biertje te gaan drinken, toen er een enorme donderslag klonk. „Het gebouw bewoog heen en weer. We dachten dat we dood gingen. We renden naar buiten. Ik was totaal gek in mijn hoofd, ik bleef maar rondjes rennen.” Vandaag komt ze haar fiets ophalen in Grubbegata, tegenover de resten van haar kantoor. „Dit is veel te groot voor mij.”

Kapper Andre Auster (27) zat vrijdag om 17.15 uur om de hoek in het café van warenhuis Glasmagasinet koffie te drinken, toen er iets onduidelijks door de straat raasde en de ramen uit hun sponningen sprongen. „Het leek wel science fiction. Ik rende in paniek weg.” Nu komt hij de schade aan zijn auto opnemen. De achterruit van de zwarte Audi is verpulverd. „God, wat heb ik een geluk gehad!”

In het Sundvollen Hotel in Hönefoss, bij het hermetisch afgesloten eiland van de dood, zochten jongeren, familieleden, politie en politici elkaar de afgelopen dagen op om te praten, te huilen, te zoeken, te verwerken. De wreedheid van Breivik spreekt het duidelijkst uit het verhaal dat Adrian Pracon aan de BBC vertelde: „Het schieten begon weer en mensen vielen bovenop me, op mijn benen, en vielen in het water. Toen zijn er veel mensen gestorven. Ik moest mij achter hen verschuilen en bad dat hij me niet zou zien. Tijdens het schieten kreeg ik een kogel in mijn rug. Toen kwam hij dichterbij, ik kon zijn adem voelen, ik kon zijn laarzen voelen, ik kon de warmte van de loop voelen. Maar ik bewoog niet en dat redde mijn leven.”

„Een combinatie van een school shooting, de bomaanslag in Oklahoma en de vuursalvo’s tijdens de terreuractie in Mumbay”, zo typeert terrorisme-expert Anders Romarheim van het Instituut voor Defensiestudie in Oslo de daad van Breivik.

Omdat de sociaal-democratische jongeren op het eiland Utøya uit heel Noorwegen afkomstig waren, worden de bijna 100 gewonden ook door het hele land in streekziekenhuizen opgevangen. Kinderpsychiater Øystein Sørbye haast zich naar een crisiscentrum in het Rikshospitalet voor ouders van overleden kinderen. Hier zijn de meeste doden opgebaard. „Zelfs in de Tweede Wereldoorlog hebben wij hier in Noorwegen nooit zoiets meegemaakt”, zegt Sørbye.

Bij het ziekenhuis zoekt een doodongeruste vrouw onder de doden naar haar man, die tijdens de explosie in het regeringsgebouw was. Ze heeft sinds vrijdag geen contact meer met hem.