Wie zijn wij zonder camera's?

Filosoof Stine Jensens ‘Ik lieg dus ik ben’ werd verrijkt met lieg-affaires.

Een gesprek over het afluisterschandaal en filosofie als een vorm van therapie.

Stine Jensens boek Ik lieg dus ik ben werd dit jaar opnieuw uitgebracht, verrijkt met lieg-affaires die nog voor het News of the World-schandaal haar stelling bevestigen dat de mens zich definieert door te liegen. Ook schreef de literatuurwetenschapster en filosofe dit jaar Echte vrienden, het geschenk voor de Maand van de Filosofie, over hoe de jacht op privé-informatie het persoonlijk en maatschappelijk leven verandert.

Welk aspect aan de affaire ‘News of The World’ valt je het meest op?

„Dat dit bij de ‘cultuur’ van Groot-Brittannië zou horen. En dat we ons in Nederland daarom moreel beter lijken te voelen dan de Britten. Maar dat zijn we niet. Ook hier heerst een enorme fixatie op het schandaal. De handel in allerlei vormen van privé-informatie is zo lucratief, dat de jacht erop steeds intenser wordt. Het speelt op kleine schaal, met hoe we ons op Facebook presenteren, op grote schaal, met de informatie die de overheid over ons verzamelt, en natuurlijk in de journalistiek. Tabloids zijn fatsoensrakkers – als het om anderen gaat. Ze pakken uit met andermans misstappen, en wij vreten het. Des te interessanter, ook voor ons eigen geweten, als blijkt hoe doortrapt ze te werk gaan.”

Iedereen vrat de tabloidjournalistiek. En nu opeens gruwt iedereen ervan. Wat verklaart dat omslagpunt?

„Dat is het fascinerende. Van de ene op de andere minuut kan dat gebeuren, vaak op instigatie van de media. Je zag het bij de ouders van het in Portugal verdwenen meisje Maddy; eerst waren ze zielig, toen verdacht. Tariq Ramadan, Dirk Scheringa en nu Dominique Strauss-Kahn: eerst tot held opgeblazen en dan afgebrand.

„Het omslaan van liefde in haat levert dubbele nieuwsconsumptie op. Maar het voedt ook het maatschappelijk wantrouwen. Hoe meer privé-informatie dient voor strategische doeleinden, hoe minder je nog weet wie je vriend is en wie je vijand. Hoe meer we te weten komen van wat zich werkelijk afspeelt, hoe sterker de boodschap dat helemaal niemand meer te vertrouwen is.”

Schrijvers zijn soms erg actief zijn op Facebook. Hebben ze niks beters te doen? Is het uitstelgedrag?

„Schrijvers behoren tot de ijdele soort op zoek naar erkenning, en Facebook faciliteert het ego dat op zoek is naar bevestiging. Bovendien geeft Face-book je het fijne gevoel dat je heel actief bent. Je maakt anderen attent op jouw werk, en je komt allerlei interessante dingen tegen die je kunt gebruiken. Maar het kost inderdaad veel tijd. Na het inleveren van Echte vrienden ben ik een tijd met Facebook gestopt. Ik heb het geen seconde gemist. Nu ben ik weer bezig, sinds een maand, maar met mate.”

In het verleden heb je je als een van de initiators van het manifest ‘Beperkt Houdbaar’ verzet tegen het gefotoshopte vrouwbeeld in de media. Op de nieuwe uitgave van ‘Ik lieg dus ik ben’ sta je zelf pontificaal gefotoshopt voorop.

„Ik vind dat we met het pamflet een belangrijk punt gemaakt hebben. Maar de context van dit boek is een andere. Het gaat erover dat het leugenachtige in ons allemaal zit, dus ook in mij. Echte vrienden heeft ook een fraaie, vleiende omslag; dat boek draait dan ook onder meer om zelfpromotie. Ik speel met mijn eigen dubbelzinnige houding. Om mensen aan het denken te zetten. Om niet in een hokje te passen.”

In het boek dat je met Rob Wijnberg schreef, ‘Dus ik ben’, draait het om de tegenstelling tussen de zijnsopvattingen van Foucault en Rousseau. Volgens de eerste blijft er geen zelf over, als je alle lagen van een mens pelt, volgens de ander een kern: het ware, authentieke zelf. Geloof je in dat authentieke zelf?

„Absoluut niet. Er is helemaal niks.”

Maar hoe kan handel in intimiteit schadelijk zijn als er geen zelf bestaat?

„We handelen in verhalen over onszelf. Sommigen doen dat integer, om contact te maken, anderen weten precies welke verhalen goed in de markt liggen en vormen hun persoonlijkheid daarnaar. Een duidelijke grens tussen die twee is er niet, maar er zit een vermoeiende, naargeestige kant aan dat overzelfbewustzijn, aan het zelf als permanente performance. Obama is 24 uur per dag Obama. Wie is hij als straks de camera’s weg zijn?”

Zelf heb je inmiddels óók een professionele persona.

„Ik mag hopen dat ik, als ik dit werk doe, mij inmiddels ook daarnaar ontwikkeld heb. Maar ik heb er zeker ook reserves bij. Twee weken geleden schreef de ombudsvrouw van de Volkskrant, Margreet Vermeulen, hier een goed stuk over. Ze schreef over de opmars van fotootjes en persoonlijke columns in de krant, over journalisten die hun persoonlijke omstandigheden als basis gebruiken voor een verhaal. ‘Ze heeft gelijk,’ dacht ik. ‘Ik doe dat ook. Misschien moet ik daar mee stoppen.’ Anderzijds is het persoonlijke niet per definitie een slecht uitgangspunt. Zelf pik ik vooral die ervaringen eruit waarvan ik denk dat ze voor meer staan.”

Verschillende populaire filosofen van rond de veertig of jonger gebruiken hun persoonlijk leven als uitgangspunt, zoals in Nederland Coen Simon en in het buitenland Alain de Botton. Is dat een generatiekwestie?

„Nee, het is denk ik eerder een kwestie van scholing. Ik ben in Groningen geschoold in de empirische filosofie volgens Bruno Latour. Je begint te denken vanuit waarneming, vanuit een casus. Dat kan een film zijn, een kunstwerk, of een ervaring. Niet denken vanuit abstractie, maar met kleine stapjes, vanuit jezelf. ”

Maar wat is dan nog het verschil tussen filosofie en therapie?

„Die afstand wordt dan kleiner. Maar is dat erg? Waarom is ‘therapeutisch’ een devaluerende term? De boeken van Alain de Botton gelden als sterk therapeutisch. Ik vind wat hij doet geweldig, dus als mijn werk in die zin therapeutisch is, zou ik dat een compliment vinden. Het betekent immers dat er een werkelijkheids-relatie is gelegd, en dat je er wat aan hebt.”

Nadeel van de therapeutische aanpak is het narcisme ervan.

„We leven nu eenmaal in een therapiecultuur, zeker als het gaat om sociale media en de ‘culture of like’. Het ego heeft continu bevestiging nodig, en soms is dat heel vermoeiend. Westerse ego’s zijn duidelijk overontwikkeld; we hebben allemaal wel door dat dat soms problemen oplevert. Aan de andere kant vind ik dat ook weer niet zo heel erg: vrouwen hébben bijvoorbeeld nog maar net een ego, nadat ze eeuwen geacht werden zichzelf compleet weg te cijferen.”

Ook jij houdt je als filosofe voornamelijk bezig met het ego. Je waagt je nooit ver in systemen. Zowel in ‘Dus ik ben’ als in ‘Echte vrienden’ leg je een verband met de kapitalistische economie waarin we leven, maar werkt dat niet uit. Waarom niet?

„Moet ik dan gaan ageren tegen het neoliberalisme, en wijzen op het ego als handelswaar? Dan verlaat je de empirie. Dan moet je grote woorden gaan gebruiken. En dan denk ik: o nee.”