Terug naar de details

Omgoood nooo ik heb net als justin bieber ab positief. Dat wil zeggen, ik heb niet zelf bloedgroep AB, maar ik las de voorgaande kreet op het internet en werd er meteen door gegrepen. Natuurlijk wist ik wel dat je bij ziekte een zelfdiagnose kunt stellen, en terwijl ik dit schrijf twitteren mensen inderdaad dat ze volgens Dr. Google ‘sinus symptomen’ hebben, tonsillitis óf een lichte depressie – ‘laten we hopen dat het tonsillitis is’ – en een jong meisje meldt ons bedrukt: ‘Ik denk dat ik slapeloosheid heb.’

Wat ik niet wist is dat internet ook leven en dood van beroemdheden voorspelt. Op dezelfde pagina waarop ik las dat Justin Bieber is geboren in kamer 126 op de tweede verdieping, zag ik dat mensen zorgzaam hadden geïnformeerd op welke dag Winston Churchill zal sterven. Internet liet weten: ‘Volgens onze berekening is Winston al niet meer onder ons.’

Flauwekul als dit is belangrijk voor menswording en gemeenschapsvorming. Zelfs als je weet dat de details overduidelijk onzinnig zijn, is het gezellig er een tijdje omheen te draaien. In alle recente berichtgeving rondom een roddelkrant was dat ook wat me het meest opviel: de uitspraken van lezers die hoog opgaven van het onnozele. ‘Andere kranten zijn saai en politiek’, zei de een. ‘Andere kranten zijn politiek en saai’, zei de ander. ‘Ze begrijpen niet wat gewone arbeiders bezig houdt’. Gewone arbeiders? Niet alleen gewone arbeiders, dacht ik. Ook anderen zijn dol op details.

Nu wil het geval dat ik juist geïnteresseerd was geraakt in het Victoriaanse begrip ‘high seriousness’. De negentiende-eeuwse dichter en onderwijsinspecteur Matthew Arnold had in een essay over poëzie bezwaar gemaakt tegen The Canterbury Tales van Chaucer, omdat die een gebrek aan high seriousness vertoonden. En nu kwam ik dit citaat van Arnold overal tegen.

Allerlei schrijvers vroegen zich af of de hedendaagse cultuur nog wel high seriousness en high truth bezit. Is er ernst en waarheid te vinden op internet? Op Twitter? In films? Aan de oppervlakten van de massacultuur? Het leek een bij uitstek eenentwintigste-eeuwse vraag, maar als je even roerde in de materie, kwam dezelfde vraag ook omhoog uit de diepten van de negentiende eeuw. Zo ging de discussie over de Engelse Public Library Act van 1850 precies over de vraag of de nieuwe bibliotheken moesten zorgen voor vertier of hoge ernst.

Verdiepte je je nog verder in het begrip, dan bleek ernst in de filosofische traditie niet erg hoog te staan aangeschreven. Net als de gewone arbeiders vonden de meeste filosofen uit voorgaande eeuwen het ‘saai’. En de hedendaagse, conservatieve commentator P.J. O’Rourke maakte met een simpele oneliner voorgoed een eind aan de geloofwaardigheid van iedere collega die het nog waagt zich voor serieus uit te geven: ‘Seriousness is stupidity sent to college.’

Tot zover zou dit niet veel meer zijn dan een verzameling trivia, als het in onze eigen tijd niet een dringende betekenis zou hebben gekregen. Want niet zozeer de onnozele details liggen op het moment onder vuur, als wel de serieuze analyses en de grote greep. Wie althans de afgelopen maanden, weken, dagen de kranten las, zal het zijn opgevallen dat de aanval op grote woorden en allesomvattende theorieën is ingezet.

Neem een willekeurige krant uit de afgelopen week. Een filosoof zegt in een interview kritisch dat ze niet wil spreken over ‘ismen’: ‘Dan verlaat je de empirie. Dan moet je grote woorden gaan gebruiken.’ Een columnist verkiest een paar pagina’s verderop liefde boven volledige toewijding aan een ideaal: ‘Liefde bindt een mens aan het leven en duizend kleine zorgen.’ En een hoogleraar bekritiseert de ‘lulkoek’ in beleidsplannen. Niemand die volgens hem nog durft te zeggen dat de beleidsretoriek is losgezongen van de realiteit en dat er geen zicht is op haalbaarheid van de plannen. ‘Om haalbaarheid gaat het helemaal niet bij lulkoek.’

Dit alles op dezelfde dag in dezelfde krant. Alsof het postmodernisme, met zijn argwaan jegens ‘grote verhalen’, opeens vat heeft gekregen op het denken. Alsof het van lang achterhaalde mode en academische filosofie is uitgegroeid tot een hoogst relevante kritiek op de gedachte dat je met theorieën de werkelijkheid kunt beheersen. Er is kennelijk dringend behoefte aan een reality check. Aan terugkeer naar de praktijk.

De laatste jaren is het debat in de greep geweest van ideologieën, van links-rechtsdenken, van conservatisme, antifascisme, islamisme en anti-islamisme. En waar draait al dat intellectuele gepoch op uit? Op niets beters dan moord en doodslag. Ze klinken heel wereldwijs, die ideologische discussies, maar ze zijn volledig losgezongen van het leven zelf. Stupidity sent to college.

Zo las je ook nog in dezelfde krant dat de beroemde filosoof Carl Schmitt de kant van Hitler had gekozen omdat hij met overtuigingspolitiek de liberale chaos in zichzelf wilde bestrijden, en „het compromisachtige van al het menselijke bestaan, denken en doen”. Die vorm van ernst, die afkeer van de onnozele details – die doorstaat de toets van de praktijk duidelijk niet.