Schutters als Anders en Tristan zijn een product van onze tijd

Daders van spree shootings noemen we ‘politieke extremisten’ of ‘zieke geesten’.

Zo gaat de samenleving zelfonderzoek uit de weg.

Langzamerhand krijgen we zicht op het profiel van de dader van het ongekende dodelijk geweld in Noorwegen: géén moslimfundamentalist, maar een 32-jarige, autochtone Noorse man, een naar binnen gekeerde eenling, actief op internet, die zichzelf op Facebook omschreef als conservatief christen en die sterk anti-islamitische, extreemrechtse sympathieën koesterde. Media zoals Le Monde (24 en 25 juli) hebben inmiddels de neiging de oorzaak van het Noorse geweld toe te schrijven aan ‘extreemrechts’ en daarmee een sterk politiek karakter te geven.

In Nederland hebben we al vaker met extreme vormen van publiek geweld te maken gehad. De moord op Theo van Gogh werd verklaard uit het islamitisch fundamentalisme van Mohammed B., terwijl de schietpartij in Alphen aan den Rijn vrijwel volledig op het conto van de schizofrenie van Tristan van der Vlis en zijn „boosheid op God” werd geschreven.

Deze verklaringen zijn gemakkelijk en geruststellend. De gedachte dat Anders Breivik en Mohammed B. werden voortgedreven door uiterst gewelddadige politieke ideologieën of dat Tristan van der Vlis, en eerder Karst T., geestelijk gestoord waren, plaatst de oorzaak van het geweld nadrukkelijk buiten onze manier van leven.

Aldus verdringt men al dan niet bewust dat schietpartijen waarbij daders in de publieke ruimte willekeurig dodelijke slachtoffers maken een kenmerkende geweldsvorm van de huidige tijd is. Daarbij springt in het oog dat terroristische aanslagen en de zogeheten spree shootings (schietpartijen zoals in Alphen) zich vaak maar moeilijk van elkaar laten onderscheiden. Het lijkt bijvoorbeeld niet toevallig dat daders van betrekkelijk geïsoleerde terreurdaden (zoals Anders en Mohammed), met daders van niet-terroristische publieke geweldsdaden (zoals Tristan en Karst) veel overeenkomsten vertonen. Hoe vergelijkbaar het is, wordt duidelijk als we bedenken dat de daad van Tristan in de publieke opinie ongetwijfeld als terroristisch zou zijn bestempeld, als hij niet boos op God, maar op Allah zou zijn geweest.

De reductie van de dader tot een politieke extremist of zieke geest kan dienen als afwentelingmechanisme om kritisch zelfonderzoek uit de weg te gaan. De gemeenschap wil immers niet horen dat zij deze jongemannen toch echt zelf heeft voortgebracht. Wat hier volgt is een eerste aanzet tot een meer fundamentele bezinning op het fenomeen van de zogenaamde spree shootings, in de ruime zin van het woord.

Het profiel van de genoemde vier mannen beantwoordt aan dat van een archetypische delictpleger: de amokmaker. Amok was ooit in Maleisië een culturele praktijk waarin iemand, gedreven door private krenkingen, zich bewapend met een dolk overgaf aan ongerichte publieke gewelddadig-heden.

Relevant in de hedendaagse vorm van amok is de zogeheten choreografie van het geweld, dat veelal is gemodelleerd naar oorlogsgames. Een ander terugkerend aspect is de zelfstilering van de dader. Aan de daad gaat dikwijls een verkleedpartij vooraf: Tristan ging in gevechtstenue, Mohammed in klassieke islamitische kledij. Ook de vermomming van Anders als politieagent was vermoedelijk niet alleen een slimme truc om zich toegang tot de plaats delict te verschaffen. Een laatste aspect dat terugkeert is de wijze waarop de daad, al dan niet via sociale media, wordt aangekondigd.

Amokmakers blijken steevast sociaal zeer geïsoleerde mannen tussen 16 en 40 jaar die als gevolg van doorgaans banale teleurstellingen (pesten, ontslag, enzovoorts) een ongerichte wrok tegen de wereld zijn gaan koesteren. Voorafgaand aan hun daad leven zij vaak langere tijd in een virtuele wereld. Geweldgames en sociale media op internet zijn voor hen veelal belangrijke instrumenten om het respect en de erkenning te krijgen die zij in de echte wereld ontberen.

De virtuele ruimte fungeert zo als uitlaatklep voor gefnuikte driften en onderdrukte agressie. Maar op termijn maakt de virtuele illusie de afstand tot de echte wereld – waar de amokmaker juist genegeerd wordt – onoverbrugbaar. Het verlangen om de mismatch op te heffen en een brug te slaan naar de werkelijkheid, wordt meer dan eens bemiddeld door geweldgames. De verheerlijking van geweld aldaar, juist ook in zijn visuele effecten, keert terug in de zelfstilering van de dader en de choreografie van spree shootings, waarin realiteit en illusie op een fatale wijze samenkomen.

Het is opvallend dat amokmakers zich voornamelijk laten gelden in noordelijke westerse landen zoals Finland, Duitsland en de Verenigde Staten (en nu ook Nederland en Noorwegen) maar in Latijnse, zuidelijker landen veel minder vaak voorkomen. Er is wel op gewezen dat in landen waarin amok zich voordoet een levendige en fysieke straatcultuur veelal ontbreekt, wat de voedingsbodem voor spree killings, als een extreme uitlaatklep voor mannelijke geweldsfantasieën, zou kunnen vergroten.

Ten slotte moet de rol van de media worden vermeld. Journalisten werpen zich vol overgave op de terreur in Noorwegen, net als eerder op de schietpartij in Alphen aan den Rijn. De wereldmedia hebben het portret met naam en toenaam van de Noorse dader al vele duizenden keren afgedrukt en verspreid, net als eerder, op kleinere schaal, na de schietpartij in Alphen aan de Rijn gebeurde. De gemiddelde amokmaker kent dit mechanisme en anticipeert erop. Tristan bijvoorbeeld wilde worden opgenomen in de „galerij der groten”, samen met Dylan Klebold en Eric Harris – de door Tristan verheerlijkte daders van de beruchte schietpartij op Columbia High – op dezelfde erelijst prijken. Gegarandeerde postume roem blijkt voor veel amokmakers een belangrijke drijfveer. Het zou de media, die bijvoorbeeld wel terecht terughoudend zijn in hun berichtgeving rond gezinsmoorden, tot nadenken moeten stemmen.

Deze inventarisatie laat zien dat amok een fenomeen is dat ons terugvoert naar de donkere zijde van onze hoogtechnologische, hypergemediatiseerde samenleving. Het is zaak om de aanstichters niet slechts te zien als zieke geesten of politieke extremisten. Als we deze gruwelijke publieke gewelddaden serieus zouden willen bestrijden, moeten we de amokmaker naar westerse snit onder ogen durven komen en hem allereerst beschouwen als een product van eigen grond.

Hans Schnitzler is filosoof en publicist, Wouter Veraart is hoogleraar rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit.