Riddertje spelen in bruine maillot met een pan op het hoofd

Ridderserie Floris (1969) heeft het leven van Pieter Steinz bepaald. Hij liep rond in een maillot, hij bestudeerde de Middeleeuwen, en schreeuwt thuis nog altijd: Oldenstein!

Zie ik een Hollandse molen, denk ik aan Floris – vooral als de wieken draaien. In mijn hoofd speelt zich onmiddellijk een van de beroemdste scènes uit de televisieserie af. Het is het einde van aflevering 6, De vrijbrief. Vier tegenstanders van ridder Floris en zijn Indiase vriend Sindala, uitgeschakeld na een flitsend zwaardgevecht (en enkele goedgemikte klappen met een oud stokbrood), worden één voor één vastgebonden op de wieken van een molen. Krakend zet het gevaarte zich in beweging, en binnen een mum van tijd zwiepen de soldaten van Gelre krijsend en vloekend voorbij. Met dank aan stuntteam Hammie de Beukelaar.

Ik heb het vaker, denken aan Floris veertig jaar na dato. Als ik voor een schilderij van Jeroen Bosch sta, en meteen voor me zie hoe in De harige duivel de zeerover Lange Pier (‘Hertog van Sneek, Heer van Friesland, Admiraal van de Zuiderzee’) doodsangsten uitstaat wanneer de figuren uit de Hel zogenaamd tot leven komen. Als ik door een veldje brandnetels loop en grinnik over het slot van De man van Gent, waarin een Vlaamse verrader (luisterend naar de fantastische naam Gwijde van Suijkerbuijk) bijkomt met een rokje van brandnetels aan zijn blote lijf. Of gewoon als ik stuit op gebouwen of voorwerpen uit de late Middeleeuwen: een kanon (het wapen van veldheer Maarten van Rossum in De Koperen Hond), een ijzeren maagd (Sindala die als een fakir slaapt in een martelwerktuig in De wonderdoener), een fraai versierde roemer (De Byzantijnse beker), een bakstenen Oldenstein-kasteel met rood-witte luiken (passim).

Floris beheerst mijn volwassen leven, zoals het mijn jeugd, en die van de hele generatie, beheerst heeft. Het door Paul Verhoeven geregisseerde ridderepos, uitgezonden in het seizoen ’69-’70 en herhaald in de herfst van 1971, staat in mijn geheugen gegrift, te meer daar mijn eigen kinderen aan het eind van de jaren 90 keer op keer naar de video-opnames van de zoveelste herhaling wilden kijken. De twaalf afleveringen hebben de tand des tijds glorieus doorstaan, zelfs al is het tempo gedateerd, vallen sommige acteursprestaties tegen („Kom mee, we gaan!”) en moet je even wennen aan het, overigens contrastrijke, zwart-wit. Met dank aan cameraman Jan de Bont.

Begin jaren 70 werden de zwart-witte avonturen ondersteund door drie boeken vol kleurenfoto’s die nog jaren daarna hét ijkpunt voor kinderfantasieën waren. Ieder jongetje wilde in die tijd Floris (lees: Rutger Hauer) zijn, ook al vocht de blonde held aan de verkeerde kant, namelijk de Bourgondische en niet de Gelderse. Ieder meisje dat wilde meespelen werd gebombardeerd tot Sindala. Op het schoolplein werden gevechten en toernooien georganiseerd, waarbij loting bepaalde wie de vijanden, de soldaten van hertog Karel van Gelre en huurlingenleider Van Rossum, moesten zijn. We droegen houten zwaarden, gebruikten pannendeksels als schild en soms de pannen als helm. Het is de enige periode van mijn leven dat ik een maillot droeg – een belachelijke bruine, want groene waren niet voorhanden.

Mijn Floris-obsessie voerde verder. In 1972 verhuisde ik van Rotterdam naar het Gelders rivierengebied, thuisland van de meeste kastelen uit de televisieserie. Mijn nieuwe woonplaats was Rossum, de plaats waar ooit de historische Van Rossum in de kerk begraven lag. Zaltbommel, waar het laat-middeleeuwse woonhuis van de veldheer-annex-plunderaar nog steeds te bezoeken is, was een halfuurtje fietsen. Tegen iedereen die ik voor het eerst ontmoette zei ik dat ik Floris heette. Het duurde twee jaar voordat ik weer overging op mijn echte naam. Mijn favoriete schilder bleef Jeroen Bosch, mijn favoriete museum een kasteel en mijn favoriete schoolvak vaderlandse geschiedenis. In 1981 ging ik in Amsterdam geschiedenis studeren; een jaar later zelfs middeleeuwse geschiedenis. Met dank aan scenarioschrijver Gerard Soeteman.

Met middeleeuwse geschiedenis ben ik snel gestopt: te weinig ridders en te veel oorkondeleer en paleografie. Ik verruilde Floris voor de Romeinse keizers (onder invloed van een andere tv-serie, I, Claudius), maar de echo’s van die geweldige eerste tv-ervaring klinken tot op de dag van vandaag door, en de uitspraken uit de serie zijn bij ons thuis nog altijd een running gag. „Malen! Roeren!” (de kok in De alruin). „Verdorrrd!” (de gemaskerde dokters in De vrijbrief). Of om het allemaal samen te vatten: „Oldenstein!!!”