Ook ploegleiding Gesink heeft gefaald

Er gebeurde veel in de Tour: valpartijen, uitblinkende Noren, gedurfde aanvallen, een strijdende Fransman en sterk rijden van Vacansoleil. Maar de Rabo’s vielen tegen.

De mentale weerbaarheid van Robert Gesink? „Daar moeten we aan werken”, merkte Harold Knebel, directeur van de Rabobankploeg, zaterdag kritisch op bij de teambus naast het Stade des Alpes in Grenoble. Zijn 25-jarige kopman reed op hetzelfde moment de longen uit zijn lijf in de slottijdrit. Hier had hij willen schitteren om de hoogste eer in de Ronde van Frankrijk, om minimaal de witte trui als beste jongere. Nu stond hij al meer dan een uur achter, op de 33ste plaats in het klassement. En toch nog volle bak rijden, met een behoorlijke tijdrit (39ste) als resultaat. Iets mis met de mentale weerbaarheid?

De verwachtingen voorafgaand aan de 98ste Tour de France waren hooggespannen. Jonge Nederlandse klimmers braken in snel tempo door naar de wereldtop. Wout Poels reed bergop al met de besten mee in het voorjaar. Steven Kruijswijk werd negende in de Giro en derde in de Ronde van Zwitserland. Ook Bauke Mollema blonk uit, net als routinier Laurens ten Dam. Waarom zou het in Frankrijk anders zijn? Gesink werd vorig jaar al zesde en mocht zich nu voor het eerst als absolute kopman helemaal richten op de Tour. „Misschien wel de beste wielrenner ter wereld”, loofde zijn trainer Louis Delahaye in deze krant. Hij sloot zelfs niet uit dat op enig moment de gele trui haalbaar was.

Dan de rauwe werkelijkheid van de hardste sportwedstrijd ter wereld. In de eerste rit kwam Gesink bij een valpartij in de finale nog met de schrik vrij. In rit vijf sloeg hij met een snelheid van ruim zestig kilometer per uur tegen het asfalt. Weg voorbereiding, weg droom. Andere favorieten als Bradley Wiggins, Aleksandr Vinokoerov en Jurgen Van den Broeck liepen bij een val breuken op en moesten de Tour al vroeg verlaten. Gesink volgde gehavend de weg naar Parijs. En de andere ‘Adelaars van de Lage Landen’? Poels viel na acht dagen uit met maagklachten, Mollema kreeg griep, de sterke Ten Dam sloeg in de Pyreneeën over de kop. En smaakmaker Johnny Hoogerland werd het prikkeldraad ingereden door een volgauto.

De Tour is te groot geworden, stelde zelfs een ervaren Tourvolger als Rabobankploegleider Adri van Houwelingen. Behalve Hoogerland werd de Deen Nicki Sörensen van de weg gereden door een volger. Gesink moest na zijn harde val twintig minuten wachten tot de dokter de karavaan van volgauto’s was gepasseerd. En voor de slottijdrit belandden veel renners in de file op weg naar Grenoble.

Niet alleen het circus eromheen barst uit zijn voegen, ook in het peloton zelf veroorzaakt de drukte toenemende stress. Van Houwelingen stelde voor om het peloton met veertig renners in te krimpen. „Twintig ploegen van acht renners.” Kansloos. De Tour wordt alleen maar groter. Commercie en show zijn belangrijker dan sport.

De laatste jaren vormden dopingschandalen een serieuze bedreiging voor de populariteit van de Tour. Maar de medische wedloop lijkt gestaakt. De toppers deden 46.53 minuten over de klim naar Plateau de Beille en kwamen daarmee lang niet aan het klimrecord van Marco Pantani uit 1998 (43.30 minuten) of latere toptijden van Lance Armstrong en Alberto Contador. Op Alpe d’Huez waren de verschillen een week later nog groter: tegenover de 36.50 van Pantani (1995) zetten Cadel Evans en de broers Schleck nu 42.28 minuten. Ook in de slottijdrit waren de meeste renners langzamer dan eerder op hetzelfde parcours in de Dauphiné Libéré, toen er bovendien meer tegenwind stond.

Al ging het minder snel, spectaculair was de Tour onverminderd. In de Pyreneeën leken de favorieten de strijd te schuwen, maar de Alpenritten hadden alles wat wielrennen zo mooi maakt. Gedurfde aanvallen van Contador en vooral Andy Schleck, indrukwekkende achtervolging van Evans. De Noren Thor Hushovd en Edvald Boasson Hagen blonken uit, met twee ritzeges voor beiden. Mark Cavendish was voor de vierde keer de beste sprinter, met vijf ritzeges. En er was eindelijk weer een hoofdrol voor de Fransen in hun eigen ronde, met de dappere strijd van geletruidrager Thomas Voeckler en de ritzege plus witte trui voor Pierre Rolland (24) op Alpe d’Huez.

De Nederlandse renners speelden op het hoogste niveau geen rol van betekenis. Debutant Rob Ruijgh, bij de junioren af en toe beter dan Gesink, handhaafde zich dagelijks voorin en eindigde knap als 21ste in Parijs. Zijn ploeg Vacansoleil viel onder impuls van Hoogerland op met een aanvallende manier van rijden. De Belg Thomas de Gendt hoorde op Alpe d’Huez en in de slottijdrit tot de besten en lijkt een klassementstopper voor de toekomst.

De Raboploeg stelde net als eerder dit jaar in de voorjaarsklassiekers teleur. Sinds de machtswisseling in 2007 – toen bankier Knebel de leiding overnam van wielerman Theo de Rooij – is de Tour de France geen onverdeeld succes voor de ploeg met een van de beste sponsorcontracten van het peloton. Dat heeft minder te maken met de mentale weerbaarheid van kopman Gesink dan met de leiding van de ploeg.

Misschien heeft Gesink niet de uitstraling van Michael Boogerd. Maar wie in de ploegleiding neemt de jonge kopman bij de hand, zoals bijvoorbeeld Bjarne Riis in 2004 bijdroeg aan de uitstraling en het zelfbewustzijn van de voorheen timide Ivan Basso? Bij Rabo uit directeur Knebel zich al tijdens de wedstrijd kritisch over zijn eigen renner, inspelend op negatieve geluiden in de media. Zolang imago voor de bank belangrijker is dan topsport, is een hoofdrol in de Tour ver weg.