Naar artwork kijken en muziek horen

Afgelopen week is Alex Steinweiss overleden, de uitvinder van de moderne platenhoes.

Stel je voor dat je een muziekwinkel binnenstapt en al wat je ziet zijn bruine kartonhoezen. Het enige wat ze onderscheidt zijn de letters op de voorkant die vermelden welke plaat erin zit. We kunnen het ons nauwelijks voorstellen, maar tot 1939 staken platenwinkels archieven naar de kroon als saaiste plek ter wereld. Dat dat niet meer zo is, is toe te schrijven aan één man: Alex Steinweiss. Deze uitvinder van de moderne platenhoes is vorige week in Sarasota, Florida, op 94-jarige leeftijd, overleden.

De eerste 78-toerenplaten zaten in bruin papier waar een cirkel uit gesneden was, waardoor je het label op de plaat kon zien. Een set van platen verscheen gebundeld in een boek dat eruitzag als een fotoalbum, met een kartonnen of (nep)lederen hoes – vandaar de naam ‘album’. Tot de jaren dertig drukte men hoogstens het logo van het platenlabel op de hoes, of een lijstje met andere releases. Enkel speciale edities kregen een kleuriger ontwerp opgeplakt.

Zonde, vond een wijsneus uit Brooklyn, die als ontwerper van posters en catalogi aan de slag was bij Columbia. Het omhulsel straalde de kwaliteit van de inhoud niet uit. ‘Dit is géén manier om mooie muziek te verpakken, dacht ik’, vertelde Steinweiss in een boek dat hem The inventor of the modern album cover noemt. ‘Kleurrijke ontwerpen zag ik voor me, een beetje zoals posters, die de muziek weerspiegelden die op de plaat stond. Ik stapte met mijn idee naar het management, maar dat huiverde bij de gedachte aan de hogere drukkosten.’ Toch overtuigde hij de top en kreeg hij de kans een paar hoezen te ontwerpen.

Steinweiss was 22 toen hij de hoes voor Smash song hits van Rodgers & Hart ontwierp. Zijn bazen waren snel onder de indruk, en niet alleen door het – ontelbare keren geïmiteerde – design. Een uitgave van Beethovens symfonie Eroica verkocht negen keer meer dan het origineel zonder hoesontwerp.

Dus bleef Steinweiss als een bezetene covers maken – in zijn hoogdagen tot vijftig per maand – en volgden de andere labels snel het voorbeeld van Columbia. Voor Gershwins Rhapsody in blue tekende Steinweiss een piano onder een straatlantaarn tegen een blauwe achtergrond. Een klassieker zijn de grote witte en zwarte hand op een pianoalbum, Boogie woogie, als aanklacht tegen rassenscheiding. Zijn cover voor de Broadwaymusical South Pacific in 1949 wordt nog altijd gebruik.

Meer dan potloden, verf en lijm had Steinweiss niet voorhanden. Maar de ontwerper, een kind van Oost-Europese immigranten in Brooklyn, maalde er niet om. Hij kon doen wat hij altijd had willen doen. ‘Ik houd van muziek en ik had zoveel ambitie’, vertelde hij in het boek, ‘dat ik bereid was veel meer te doen dan waarvoor ze me betaalden.’

Tijdens de Tweede Wereldoorlog schakelde de Amerikaanse marine hem in om affiches te ontwerpen. ‘Hands off the Americas’ blafte een ervan de nazi’s toe. Het hield hem niet tegen om na het werk tot in de vroege uurtjes voor Columbia hoezen te ontwerpen. In 1948 riep zijn baas Steinweiss bij zich voor een onderhoud. ‘Op de achtergrond zette hij een plaat op, en het drong pas na een tijd tot me door dat ze al meer dan vijf minuten speelde zonder dat hij ze omgedraaid had!’ De 33-toerenplaat was geboren: een langspeler kon tot 15 minuten draaien. Algauw werden 12-inchvinyls geperst die 25 minuten muziek per kant bevatten. Met zijn ontwerp van de dubbelgevouwen kartonnen hoes, zoals we die vandaag nog kennen, werd de impact van Steinweiss onmiskenbaar.

Vanaf 1945 ging hij aan de slag voor verschillende labels. Maar ook magazines illustreerde Steinweiss, hij ontwierp filmposters, advertenties (‘vooral de farma betaalt goed’) tot etiketten voor sterke drank toe. De flamboyante krulletter die veel van zijn hoezen siert, werd een van de eerste gecommercialiseerde lettertypes: de ‘Steinweiss Scrawl’.

In totaal moet Steinweiss meer dan 2.000 hoezen ontworpen hebben, maar begin jaren zeventig gaf hij er de brui aan. ‘Daar stond ik dan in mijn grijze pak, terwijl de manager met wie ik onderhandelde lange haren, een jeans en een leren jekker droeg’, liet hij in 2002 optekenen in de Pittsburgh Post-Gazette. ‘Ik kon er beter mee stoppen, oordeelde ik, temeer daar het een stinkende business was geworden, met drugs en het hele zootje.’ Over de cd hoefde je Steinweiss al helemaal niet aan te spreken. ‘4,75 bij 4,75 inch in vergelijking met 12 bij 12 inch. Daar kun je toch niets mee aanvangen.’

In de jaren zeventig en tachtig raakte Steinweiss in de vergetelheid. Pas sinds eind jaren negentig duikt zijn naam voorzichtig weer op, als Amerikaanse designverenigingen hem onderscheidingen toekennen. Met een koffietafelboek dat afgelopen jaar verscheen over zijn leven en werk, kreeg het vergeten icoon uit de platen- en ontwerperswereld opnieuw de eer die hij verdient. ‘Ik wou dat mensen naar het artwork keken en de muziek hoorden’, zei Steinweiss in het begin van het boek. Wie het doorbladert kan maar één ding besluiten: opdracht volbracht.

Alex Steinweiss, the inventor of the modern album cover. Taschen (2011)