'Ik keek om me heen. Is hij hier?'

Tot opluchting van de organisatoren van het zomerkamp op Utøya arriveerde er politie na de aanslag in Oslo. Toen begon de politieman te schieten.

Adrian Pracon heeft geluk gehad. Hij zegt het zelf, in een bed in het ziekenhuis van Oslo. De 21-jarige jongeman, die lid was van de organisatie van het politieke zomerkamp op het eilandje Utøya, heeft een kogel in zijn schouder. Hij lag vrijdagnacht uitgeput op het strand toen Anders Behring Breivik dichterbij kwam. Jullie gaan er allemaal aan, schreeuwde Breivik, die in het wilde weg aan het schieten was.

Kort daarvoor had Pracon samen met anderen van de organisatie iedereen opgetrommeld, om uitleg te geven over de aanslag op een regeringsgebouw in Oslo.

„Daarna hoorden we dat er politie op het eiland was gearriveerd”, vertelde Pracon tegen het weekblad Der Spiegel. „We dachten: het is goed om nu politie op het eiland te hebben – totdat de politieman ineens begon te schieten.”

Iedereen vluchtte in paniek, ook Pracon. Hij werd in zijn schouder geraakt, maar hij wist het strand te bereiken. Hij dook in het water en wilde zwemmend het eiland ontvluchten. Al snel voelde hij dat hij het vasteland nooit zou halen. Toen hij op het strand terugkeerde stond Breivik daar. Hij schoot op de slachtoffers die op het strand lagen en van wie hij vermoedde dat ze nog in leven waren. Pracon stond even oog in oog met de schutter. Hij smeekte hem om niet te schieten. Om onduidelijke reden liet Breivik hem liggen.

Net als Pracon was de eveneens 21-jarige Helen Andreassen naar Utøya gekomen om tijdens het jaarlijkse zomerkamp ministers en andere hoge functionarissen van de regerende sociaal-democratische partij te ontmoeten. In The International Herald Tribune vertelt ze hoe koelbloedig de schutter te werk ging. „Hij stond gewoon aan de waterkant, gebruikte zijn geweer, nam zijn tijd, richtte en schoot”, zegt Andreassen. „Het was een slachting van jonge kinderen.”

Meer dan een uur had Breivik om zijn slachtoffers achterna te jagen. Voor de meesten van de ongeveer zeshonderd jongeren en hun begeleiders was er geen ontsnappen aan. Het eiland heeft geen verbinding met het vasteland. De afstand van 600 meter is zwemmend bijna niet te overbruggen, zeker niet door degenen die gewond waren.

Prableen Kaur is een van de overlevenden. Een paar uur na het drama schreef ze over de gebeurtenissen op haar weblog, een Engelse vertaling is te lezen op de website van The Daily Telegraph.

Kaur beschrijft hoe ze zich met een grote groep schuilhoudt in een kamertje achterin het hoofdgebouw. Als het geweervuur dichterbij komt, probeert iedereen via het enige raam te vluchten. „Paniek brak uit”, schrijft Kaur. „Iedereen in de kamer rende naar het raam en probeerde eruit te springen. Ik was de laatste en dacht: ‘Ik ben de laatste om uit het raam te springen. Nu ga ik dood’ [...] We renden naar het bos. Ik keek om me heen. Is hij hier? Schiet hij op mij? Kan hij me zien?”

Later beschrijft ze dat er een man nadert. Ze ligt op de grond tussen anderen en doet alsof ze dood is. De man zegt dat hij van de politie is. In de verte roept iemand dat hij dat eerst moet bewijzen. Kaur hoort niet precies wat de man zegt. Dan begint hij te schieten. „Ik lag bovenop het been van een meisje”, schrijft Kaur. „Twee anderen lagen op mijn voeten. Ik bleef maar liggen. Mijn mobiele telefoon ging een paar keer. Ik bleef liggen. Ik deed alsof ik dood was. Ik ben de rest van het uur blijven liggen. Het werd helemaal stil. [...] Ik draaide heel voorzichtig mijn hoofd opzij om te zien of iemand nog leefde. Ik zag bloed. Angst. Ik besloot op te staan. Ik had op een dode gelegen. Twee dode lichamen lagen bovenop mij. Ik had een beschermengel.”

Sommigen op het eiland redden zich door zich te verstoppen. Anita Bakaas vertelde tegen de BBC World Service hoe haar dochter in een sms’je schreef dat ze zich met vier anderen had opgesloten in een wc. Later kreeg ze opnieuw een sms waarin haar dochter schreef dat buiten vrienden en vriendinnen werden beschoten. Ook andere kinderen hadden contact met hun ouders via sms. Maar de ouders konden niet antwoorden, omdat ze beseften dat ieder geluid van de mobiele telefoon de schuilplaats van hun kinderen zou kunnen verraden.

Ook was er hulp van de Duitse vakantieganger Marcel Gleffe, die op een camping in de buurt stond. Hij hoorde schoten op het eiland en voer er onmiddellijk in zijn motorboot naar toe. Hij gooide de zwemvesten naar de eerste jongeren die hij in het water tegenkwam en voer snel verder om anderen op te pikken.

Veel van de drenkelingen durfden aanvankelijk nauwelijks in de boot te stappen omdat ze bang waren dat de Duitser een van de terroristen was. Uiteindelijk wist Gleffe ongeveer dertig jongeren in veiligheid te brengen. Vier of vijf keer voer hij op en neer, zegt hij in een interview met het Hamburger Abendblatt, „Net zo lang tot de politie kwam en zei: nu niet meer”.