Hij schreef de smartlap in oervorm: strak en recht op het doel af

Johnny Hoes schreef duizen-den liedjes. Van stijlmiddelen als ironie of een dubbele bodem moest weinig hebben.

Veel mensen zullen bij de naam Johnny Hoes denken aan een meezinger als Och was ik maar. Het is een lied waarin een verliefde jongen vertelt dat hij wel zou willen dat hij die mooie, maar onbetrouwbare Madelein nooit had ontmoet. Hij zingt zijn ellende uit in de gouden regel „Och was ik maar bij moeder thuis gebleven”, die daarna gevleugeld is geworden. Johnny Hoes werd er beroemd mee, maar het lied was niet van hemzelf. Het was een Venloos carnavalslied.

Als tekstschrijver was Hoes vooral goed in het genre van het gelegenheidsgedicht. Was het carnaval, dan kwam er een carnavalslied. Wat er feest, dan kwam er een feestlied. Ik noem titels als Tralalala, Tjonge jonge jonge en Bier bier bier.

Daarmee zal Hoes niet in de canon van het Nederlandse lied worden opgenomen. Misschien wel met een enkele smartlap. Zijn eerste grote hit, De smokkelaar, uit 1956, stelt in het eerste couplet een smokkelaar aan ons voor. In het tweede couplet maken we kennis met zijn lieve dochter Annelies („de liefste van de grens”) en haar geliefde (die „deed trouw zijn plicht als mens”). Wat zou deze jongen doen voor de kost? De vrijer van Annelies was, dat rijmt, grenscommies. Dan volgt het derde en laatste couplet. Het speelt zich af „op een bange winternacht” en dan voelt u ook al wel aan dat dit niet goed gaat aflopen. We zijn midden in een donker bos, op de grens. Een smokkelaar slaat op de vlucht, de jonge commies trekt zijn wapen en schiet.

En wat was dat?

Zwaar gewond lag op de grond

de vader van zijn schat.

Hier zien we de smartlap in zijn oervorm: goed gegeven, korte regels, strak rijm, recht op het doel af, tragisch ongeval – en aan het eind kunnen we alleen nog maar meesnikken om hoe zwaar het lot weer een arm medemens heeft getroffen. Hoes schreef tientallen van zulke treurige levensliederen, voor de Zangeres zonder Naam, de Alpenzusjes, Jacques Herb, Marianne Weber en vele anderen. Hij had er een goed gevoel voor, maar toch vind ik niet dat er met Hoes nu een heel bijzondere tekstschrijver is heengegaan. Het was ook niet zijn streven. En het hoort ook niet echt bij het levenslied: dat wil zich juist voegen in een lange traditie van eenvoudige verhalen op rijm, gezongen door rondtrekkende zangers. Ze zijn voorspelbaar, en daarin zit voor een groot deel de troost. Spreektaal, stoplap, cliché, dooddoener. „Op een zeemansgraf staan nooit geen rode rozen.”

Er werd en wordt door intellectuelen graag geflirt met het levenslied, maar daar moest Hoes niets van hebben. Geen ironie, geen dubbele bodem. Toen hij dit voorjaar in de krant las dat de blinde Amsterdamse straatmuzikant Bennie Volkens op de Dam met zijn buikorgeltje door vier agenten was opgepakt, omdat hij niet over de juiste vergunning zou beschikken, schreef hij nog dezelfde dag uit woede een lied, dat hij meteen liet inzingen door de zanger Stef Ekkel.

De blinde orgelman

moet van de straat.

Hij maakte mensen blij,

maar nu is het te laat.

Geen grootse poëzie, en grootser dan dit wordt het ook niet, maar daar gaat het bij een smartlap niet om. Je moet het horen, inclusief snik en uithaal. Hoes zal zich herkend hebben in deze collega-muzikant en in alles wat hem bedreigde. De blinde orgelman moet een van zijn laatste levensliedteksten zijn geweest. Zo eindigt het:

En zijn muziek is

voorgoed afgepakt.

De vrachtwagenschauffeur

(refrein):

Ze rijden eenzaam door de nacht, uur na uur

De stoere knuisten, hard als staal, aan ’t stuur

Ze doen hun plicht voor vrouw en kind, ver van huis

Een kleine fout en de chauffeur komt nooit meer thuis

Hij rijdt maar, bij dag en bij nacht

Met wagens, heel zwaar aan de vracht

Z’n arbeid ziet hij niet als sleur

’t Is z’n plicht, hij is chauffeur

Aan menig gevaar staat hij bloot

Maar ’t moet wel, ’t is immers z’n brood

Dat hij er z’n hachje aan waagt

Ach, daar wordt niet naar gevraagd

(refrein)

Soms wordt hij door slaap overmand

Dan zet hij z’n kar langs de kant

En rust met z’n hoofd op ‘t stuur

Even uit, soms nog geen uur

Daarna raast hij weer door de nacht

Er wordt op z’n lading gewacht

Hij rijdt, als gejaagd, door de wind

Ver van huis, van vrouw en kind

Ze doen hun plicht voor vrouw en kind, ver van huis

Een kleine fout en de chauffeur komt nooit meer thuis

Een kleine fout en de chauffeur komt nooit meer thuis...

Op een zeemansgraf

Varen, varen, altijd maar varen

dat is ’t zeemansleven

Varen, varen, ondanks gevaren

daar wil hij alles voor geven

en mocht z’n schip in ’n storm vergaan

ver van de veilige kust

zal op zo’n graf nooit ’n teken staan

dat ons vertelt wie daar rust.

Op ’n zeemansgraf staan nooit geen rode rozen

op ’n zeemansgraf staat zelfs geen houten kruis

niemand weet dus wie ’n rustplaats heeft gekozen

op die stille plek zo mijlen ver van huis.

Varen, varen, al duurt ’t jaren

niets kan ’n zeeman deren

Varen, varen, over de baren

daar wil hij alles riskeren

Hij krijgt van niemand ’n erelint

al doet hij meer dan z’n plicht

en als hij ’n graf in de golven vindt

weet men niet eens waar hij ligt.

Op ’n zeemansgraf staan nooit geen rode rozen

op ’n zeemansgraf staat zelfs geen houten kruis

niemand weet dus wie ’n rustplaats heeft gekozen

op die stille plek zo mijlen ver van huis.

Teksten Johnny Hoes