Het is geven en nemen

Verblijfsvergunning, kunstsubsidie, uitkering: sommige gunsten zijn een dubieuze aangelegenheid.

Waar om een gunst krijgen je soms kwetsbaar maakt.

De Afghaanse zusjes Hoseinpoor kregen in de slipstream van Sahar een verblijfsvergunning. Te verwesterd. Jullie mogen blijven en hoeven niet een paar honderd jaar terug in de tijd. Dank u wel.

Een verblijfsvergunning is een gunst van twijfelachtige allure. Net als een kunstsubsidie, of een uitkering. Gunsten die moeilijk te weigeren zijn, door zoiets te ontvangen manoeuvreer je je in een positie van gedwongen dankbaarheid. Ook voor een meisje dat een duur cadeau krijgt van een jongen van wie ze niets wil weten, is ontvangen een dubieuze aangelegenheid. En zelfs mensen in een gelijkwaardige relatie kunnen moeite hebben een gunst of cadeau te accepteren. Wat maakt ontvangen zo complex?

Een verklaring is dat iets krijgen bij veel mensen onmiddellijk de neiging oproept om iets terug te geven. In zijn boek Gek met geld legt psycholoog Jaap van Ginneken uit hoe krachtig die dwang tot wederkerigheid is. Hij beschrijft een experiment waarbij onderzoekers kerstkaarten naar wildvreemden stuurden. In de meeste gevallen werd er een kaart teruggestuurd, voorzien van een vage wensgroet en zonder te informeren van wie ze de kaart hadden ontvangen.

Reden dat mensen geneigd zijn meteen iets terug te doen, is omdat ze het vervelend vinden om bij iemand in het krijt te staan, zegt psychiater en psychoanalytica Margit Deben. „Iets ontvangen, een gunst, een cadeau, wordt door sommige mensen ervaren alsof iemand macht over hen heeft. Dat maakt kwetsbaar en soms zelfs angstig.”

Vooral iemand die graag zijn omgeving onder controle houdt, heeft moeite met ontvangen, aldus Deben. Liever geven ze zelf met als doel aardig gevonden te worden. Dit zijn over het algemeen mensen die weinig waardering voor zichzelf hebben en zich op deze manier verzekeren van de waardering van anderen. Het is niet de bedoeling dat iemand hun iets geeft, dat maakt ze onrustig. Deben: „Zoals Groucho Marx zei: ik wil niet bij een club horen die mij als lid accepteert.”

Filosoof Vincent Hunink schreef een verhandeling over Seneca’s visie op de dynamiek van geven en ontvangen. Geven doe je zonder bijbedoelingen of verwachtingen over een tegenprestatie. Bovendien laat je mensen niet onnodig lang wachten, dwing je ze te niet tot vernederende verzoeken en geef je zonder arrogantie te tonen – een lijstje dat niet zou misstaan op een prikbord ergens in Den Haag. Ook wat betreft ontvangen was hij helder: dankbaar zijn staat op zichzelf en dient geen ander doel. Deze manier van geven en ontvangen creëert een menselijke gemeenschapszin, zonder deze dynamiek van geven en nemen van diensten en gunsten zou de mensheid uit elkaar vallen.

In die dynamiek worden de verhoudingen binnen een samenleving weerspiegeld. Het gaat daarbij vaker over macht dan over generositeit. Belangrijker nog dan wat de gever te geven heeft – een verblijfsvergunning, een uitkering – is het feit dat hij in de positie is dit te geven. Ontvangen is dan een oefening in nederigheid. Hoe doe je dat: ontvangen op een waardige manier zonder jezelf te conformeren aan de positie van underdog?

Dat hangt ten eerste af van de vraag of iemand het gevoel heeft recht te hebben op wat hij ontvangt, zegt Deben. Dan is ontvangen vanzelfsprekend. Is iemand zich terdege bewust van het feit dat hem een gunst wordt verleend, dan kan het besef van afhankelijkheid moeilijk te verdragen zijn, soms met een depressie als gevolg. Een andere manier om met dit gevoel om te gaan, is je in te zetten om te bewijzen dat je de gunst verdient. Deben: „Je laat zien dat je erkentelijk bent en kunt op die manier iets teruggeven.” De asielzoeker die een verblijfsvergunning krijgt draait zo goed als hij kan mee in de maatschappij: door te werken, belasting te betalen, de wetten en regels te respecteren. De kunstenaar zet zich in om mooie dingen te maken. Deben: „De manier waarop mensen in een samenleving met elkaar omgaan verloopt volgens dezelfde regels als de economie van de vriendschap: geven en nemen moeten in evenwicht zijn.”

‘Neem alleen iets aan van iemand aan wie je zelf ook iets had kunnen geven’, schreef Seneca. In dat licht is de weigering van het meisje om een cadeau aan te nemen begrijpelijk: zij kan de liefde van de verliefde jongen niet beantwoorden. Voor afhankelijke partijen als de asielzoeker, de kunstenaar en de zieke betekent deze regel dat ze zich af moeten vragen of degene van wie ze ontvangen een waardige partij is. Is dat niet zo, dan is de gunst ook van weinig waarde. Een onbetrouwbaar gastland is mogelijk even onveilig als het land dat ontvlucht is, een schimmige uitkeringsinstantie is onbetrouwbaar en kan zich tegen je keren bovendien. Door afhankelijk te zijn van ongure partijen komt je waardigheid in het geding, mensen die in Nederland een veilig heenkomen zoeken weten dat vaak maar al te goed. Voor hen is een land waar men de mensenrechten hoog in het vaandel zegt te hebben hun redding. Asielzoekers die zichzelf uithongeren en openlijke smeekbedes richten aan het adres van de minister als gevolg van slepende procedures en een woud aan onduidelijkheden, roepen de vraag op of Nederland zichzelf een waardige partij kan noemen. Het wrange is dat de mensen die dit ondervinden niet in de positie zijn hun trots te laten zegevieren over hun afhankelijkheid.