Heel langzaam gaat Assad ten onder

In Syrië blijft het verzet tegen president Assad groeien – vrijdag gingen honderd-duizenden weer de straat op.

Uiteindelijk houdt het regime dit niet vol.

A man shouts slogans during a demonstration against the Syrian government in front of the White House in Washington, DC, on July 23, 2011. Several hundreds of protester took part in the demonstration demanding the ouster of Syrian President Bashar al-Assad's regime. Syrian forces on July 23 stormed villages in the northwest of the country and rounded up civilians in the flashpoint city of Homs, activists said, as UN officials pointed to possible crimes against humanity in the crackdown on dissent. AFP Photo/Jewel Samad AFP

Wie op het juiste moment op de juiste plek is, zou kunnen denken dat het Syrische regime massaal wordt gesteund door zijn burgers. Deze week hadden in diverse steden massademonstraties plaats voor president Bashar al-Assad en zijn hervormingsprogramma, zo meldde het officiële persbureau SANA. De staatstelevisie toonde beelden van enorme pro-Bashar-menigten die kilometers lange nationale vlaggen meetorsten.

Er blijft inderdaad steun voor het bewind, maar het verzet is veel groter en groeit. Met name de alawitische minderheid, waaruit het regime voortkomt, en de christenen stellen zich pal achter het regime op uit angst voor een toekomst waar de sunnitische meerderheid de macht heeft. Nu is er weliswaar geen enkele politieke vrijheid, maar de autoriteiten laten de minderheden wel op godsdienstig gebied alle ruimte.

Langzaam maar zeker verslechtert de situatie van het regime echter. Hoe de toestand precies is, is moeilijk vast te stellen omdat er weinig onafhankelijke waarnemers in Syrië zijn; buitenlandse journalisten worden niet of nauwelijks toegelaten. Maar uit videobeelden die op internet worden gezet en andere bronnen wordt duidelijk dat in sommige grote steden, waaronder Hama en Homs, de betogingen tegen het regime tot ongekende omvang zijn uitgegroeid. Syrische mensenrechtengroepen, die de woordvoering voor de oppositie verzorgen, telden afgelopen vrijdag honderdduizenden betogers.

In Homs werd dit weekeinde ook de eerste sektarische strijd van enige omvang gemeld. Volgens de oppositie was deze uitgelokt door het regime zelf, om het overlopen van grote aantallen militairen uit pantsereenheden te maskeren. Veiligheidsagenten in burger hadden vier alawieten vermoord en verminkt en vervolgens alawieten uit omliggende dorpen naar de stad genood om sunnieten aan te vallen. Er zouden daarbij dertig doden zijn gevallen en nog eens twintig toen militairen het vuur openden op een begrafenis. Op nieuwe videobeelden racen tanks door de stad.

Het regime heeft inderdaad herhaaldelijk gewezen op het gevaar van sektarische strijd. Maar Syrië-specialist dr. Nikolaos van Dam beschouwt deze waarschuwingen niet als aankondiging van sektarische provocaties, maar als poging de protesterende burgers bang te maken voor de mogelijk zeer bloedige gevolgen en hen zo weer thuis te krijgen. „Het is onduidelijk wat er in Homs is gebeurd”, zei Van Dam gisteren in een telefonisch interview vanuit Spanje. „Maar als het huidige geweld ontaardt in een sektarische oorlog zou dat niet in het belang van het regime zijn. Het zou immers niet tot herstel van de rust leiden.” Van Dam, wiens gezaghebbende boek The Struggle for Power in Syria onlangs in herziene druk uitkwam, volgt de ontwikkelingen in Syrië op de voet.

Hoe dan ook slaagt de Syrische regering er niet in de demonstraties te beteugelen. Volgens de oppositie zijn inmiddels meer dan 1.500 burgers gedood bij het gewelddadige optreden van leger en veiligheidsdiensten tegen demonstranten, maar dat heeft geen enkel effect.

Tegelijk zijn er volgens Van Dam ook nog geen tekenen van desintegratie van het regime. „Dan zouden er belangrijke officieren moeten weglopen. Voorzover er militairen zijn gedeserteerd, komen die uit de lage rangen.” In tegenstelling tot Libië, waar het bewind van Moammar Gaddafi onder zware druk staat van rebellen en de NAVO, zijn er geen bekende mensen vertrokken.

De oppositie meldt steeds dat het leger en de veiligheidsdiensten militairen doodschieten die weigeren op betogers te schieten. De autoriteiten zelf erkennen dat aan hun kant meer dan 500 doden zijn gevallen, maar schrijven dat toe aan gewapende actie van de zijde van de oppositie. Volgens Van Dam zijn er geen bewijzen dat op dergelijke schaal eigen mensen zijn doodgeschoten. Aan de andere kant hoeven de verliezen aan regimezijde ook niet te bewijzen dat er een belangrijke gewapende component bij de oppositie zit. De Moslimbroederschap, die zich eind jaren zeventig, begin jaren tachtig gewapend manifesteerde, heeft zich tot dusverre niet laten zien. Van Dam: „Je hebt uiteindelijk maar een paar sluipschutters op de daken nodig” om veel slachtoffers onder de militairen te maken.

Kan Assad het nog redden? „Nee, hij zal het niet redden. Maar het kan wel nog heel lang duren.” De oppositie heeft behalve haar mensen op straat immers geen machtsmiddelen – de zware wapens zijn in handen van het bewind. „Het wachten is op tweespalt binnen het regime.”