Gouden bergen

Via anonieme heuvels en naamloos asfalt ben ik inmiddels in het land beland dat er begin deze zomer nog over dacht zijn bergen ter adoptie aan te bieden – of liever gezegd, per opbod te verkopen.

Dat wás die mooie zomer, want toen bleek dat twee trotse toppen uit Tirol, met een wereldwijd wonderschoon uitzicht, tot Ashampoo I en II dreigden te worden omgedoopt – de prijs van 120.000 euro per stuk was duidelijk te laag – was de lol er onder de dijenkletsers meteen weer vanaf. WWW of niet, vernoemd worden naar software om cd’s te hacken, dat gun je nog geen blauwspar. En dus liggen de Kinigat en de Rosskopf – ook geen aimabele namen – er nu bij als wezen in de wind.

Weken na die afgeblazen marketinggag hangt de verontwaardiging erover nog dik in de dalen. De verkoop is door de overheid onmogelijk gemaakt, maar het gevaar is kennelijk nog niet geweken. „Hoe lang duurt het nog voordat we onder de Microsoft-zon, over de Ikea-graad, naar het Fiat-meer (voorheen het Gardameer) wandelen”, briest Günther Platter, de gouverneur van Tirol, een man wiens anti-tectonische naam juist doet vermoeden dat er wat hem betreft nog wel een schepje bovenop had gemogen.

Bergen brengen nu eenmaal dito geld op – de liften, de hutten en de hotels zijn Alpengoud. En als puntje bij paaltje komt, doen we het net zo lief van de Bison Spitze als van de Hintere Schwärtze, als het maar glijdt.

En als onze eigen berg niet zo’n miezerig Pietertje was geweest, hadden we haar waarschijnlijk al lang laten sponseren door een haargroeimiddel ofzo. Want we hebben het in ons, hoor. Wat zeg ik, de praktische politici van ‘mien vlakke laand’, die van het Kabinet der Zelfredzaamheid, verwáchten het zelfs van ons.

Het is toch ook eigenlijk te gek voor woorden dat het Omo-bos nog niet is ontdekt als natuurgebied, of de LOI-toren nog niet als de Dom van Utrecht. Om maar een idee te geven. Zoiets scheelt Natuurbeheer en Monumentenzorg bakken met geld.

Inspirerend land, Oostenrijk.

Floris-Jan van Luyn