Gilles en Jeanne d'Arc spreken voor één avond Nederlands

Het stuk Bloed en rozen van de Vlaamse auteur Tom Lanoye beleefde vrijdagavond een zeer succesvolle première op het gerenommeerde theaterfestival van Avignon.

Als het gigantische projectiescherm van ijzeren vierkanten al enkele malen vervaarlijk heeft geklapperd in de plotseling opstekende mistral, besluit de toneelmeester van het Cour d’honneur van het theaterfestival van Avignon het neer te laten, terwijl de voorstelling gewoon doorgaat. Het levert gevaar op. De 1.800 toeschouwers die deze vrijdagavond in de open lucht in het Palais des Papes de première van Bloed en rozen bijwonen, blijven echter niet verstoken van de huizenhoge videoprojecties die het regisseur Guy Cassiers mogelijk maken in deze ontzagwekkende ruimte zijn acteurs toch verrassend intieme scènes te laten spelen. En evenmin van de Franse ondertitels die het tweeënhalf uur durende spektakel voor het Franse publiek moeten ontsluiten. De projecties vinden nu direct op de indrukwekkende middeleeuwse muren van het Palais des Papes plaats.

Menig Frans theatercriticus zal ’s anderdaags blijken te denken dat dit ook van aanvang af de bedoeling was: de middeleeuwse muren passen immers uitstekend bij de thematiek van het stuk van Tom Lanoye, dat draait om Jeanne d’Arc en Gilles de Rais – twee coryfeeën uit de Franse middeleeuwse geschiedenis.

Twee uurtjes voor aanvang van de première: de Vlaamse deelregering geeft in een tuin aan de voet van de buitenmuur van het Palais des Papes een receptie ter ere van deze door haar ondersteunde Nederlandstalige cultuuruiting op het festival van Avignon – het heilige der heilige van het Franse theaterwezen. „Heel de wereld kan hier Vlaams talent zien”, zegt de minister trots. „Joost van den Vondel mag jaloers zijn.”

Tom Lanoye – auteur van Bloed en rozen, het lied van Jeanne en Gilles – is zenuwachtig in deze uren voor de première. En niet alleen maar omdat gisteravond, bij de generale, de software waarmee de camera’s op het toneel en de diverse projectoren werken, plotseling crashte. Hij is er zich ook van bewust dat het kieskeurige Franse publiek straks met meer dan twee uur, zeer tekstrijk toneel in een vreemde taal wordt opgescheept.

En dan is er zijn zeer vrijmoedige omgang met twee belangrijke figuren uit de Franse geschiedenis: Jeanne d’Arc, het maagdelijke herderinnetje dat in de vijftiende eeuw in opdracht van ‘stemmen’ het bevel voerde over de Franse troepen en een overwinning behaalde op de Engelsen die het mogelijk maakte om in Reims een Franse koning te kronen, maar die later als ketter op de brandstapel belandde; en Gilles de Rais, de edelman die ooit namens de koning de rechterhand was van Jeanne, en eveneens op de brandstapel belandde wegens moorddadige seksuele spelletjes met kinderen.

Pikt een Frans publiek het wel, dat een Vlaming zich van hun historische legenden bedient, vraagt Lanoye zich bezorgd af. Hij heeft Jeanne en Gilles gebruikt voor een aanklacht tegen religieus machtsmisbruik, waarbij De Rais zijn wandaden bedrijft als reactie op Jeannes onrechtvaardige dood op de brandstapel. In de Antwerpse Boerlaschouwburg, waar Bloed en rozen een aantal malen ‘op proef’ heeft gestaan, was er geen Vlaamse toeschouwer die in de flemende wijze waarop de inquisiteur Jeanne en Gilles met uitzicht op de folterwerktuigen voorhoudt dat het misschien in hun eigen belang is hun ketterij te bekennen, niet de Belgische kardinaal Daneels herkende – en meer in het bijzonder de bevoogdende wijze waarop deze op de zogeheten Daneels-tapes slachtoffers van seksueel misbruik wilde overhalen hun zaak niet aan de grote klok te hangen.

Maar deze actuele parallel is aan een Frans publiek natuurlijk niet besteed. Niet elke Vlaming op de receptie vooraf is er gerust op. „Nederlands is als Deens voor Fransen”, meent iemand. „Je zult zien dat men massaal gaat weglopen en boeroepen, want daar is het publiek in Avignon heel sterk in.” En weglopen maakt een enorm kabaal op de metalen stellages waarmee op de middeleeuwse binnenplaats tribunes zijn geschapen.

Maar al deze zorgen blijken hogelijk misplaatst, wanneer de duisternis heeft ingezet en om tien uur in het Cour d’honneur de voorstelling is begonnen. Bloed en rozen komt vanaf het begin sterk aan – de eerste monoloog van Jeanne (Abke Haring) slaat, mede door de reusachtige projectie, meteen geweldig in. Vanaf het begin heb je het gevoel naar toneel en film tegelijk te kijken. Johan Leysen, als Gilles de Rais, lijkt met intens en door de projectie uitvergroot subtiel spel het publiek aan zijn voeten te leggen. Tijdens de verhoren door de inquisiteur (Jos Verbist) kun je in het enorme Cour d’honneur een speld horen vallen. Hoewel het gestaag winderiger en killer wordt op de binnenplaats – ook in Avignon zijn dit jaar de zwoele zomernachten ver te zoeken – lopen er nauwelijks toeschouwers weg: de meesten nog wanneer na anderhalf uur Jeanne op de brandstapel is beland en het publiek moet omschakelen naar het verhaal van Gilles.

Na afloop barst een deel van het publiek uit in een staande ovatie, maar ook is boegeroep te horen. Een willekeurige steekproef onder Franse toeschouwers aan de uitgang bevestigt de gemengde gevoelens: sommigen betreuren het statische karakter van de mise-en-scène en de geringe lichamelijkheid van de voorstelling, en niet iedereen heeft het verband tussen het lot van Jeanne en de wandaden van Gilles begrepen. Anderen zijn echter enthousiast over de anti-clericale boodschap van de voorstelling. Dat buitenlanders zich vergrijpen aan Franse historische iconen stoort niemand.

Op de receptie na afloop, weer in de tuin aan de voet van het paleis, heerst voorzichtige opgetogenheid. „Het is een geweldige ervaring in het Cour d’honneur te staan”, zegt Johan Leysen – hij was als Franstalig acteur al menigmaal op andere locaties in Avignon, maar dat hij het heilige der heiligen nu juist in zijn moedertaal heeft betreden, doet hem dubbel genoegen. Tom Lanoye zegt duizend doden te zijn gestorven toen hij halverwege een drupje regen voelde. Regisseur Guy Cassiers is een tevreden man. „De wind heeft alles bewogen waar dat niet was voorzien, maar desondanks denk ik dat het heel mooi was. Deze voorstelling kan in Frankrijk invloedrijk zijn, omdat de Nederlandse speelstijl voor Fransen aantrekkelijk is. Ik merk vaak dat men hier nieuwsgierig is naar een alternatief voor het galmende, academische spraaktheater, dat nog veel Frans toneel kenmerkt.”

De definitieve zegening van Bloed en rozen volgt in de Franse pers. „Jeanne d’Arc zet het Cour d’honneur in vlam”, kopt het dagblad Le Monde en roemt de voorstelling in alle opzichten: de regie, de kostuums van Tim van Steenbergen, de muziek van het Collegium Vocale Gent, de „intelligentie” van Lanoyes schildering van de „perversiteit van de macht”. Nouvel observateur meent dat de vertolking van Johan Leysen hem doet binnentreden in de rij van „legendarische acteurs van Avignon” en soortgelijke lof is er van l’Express en Télérama. Le Monde constateert zelfs dat Bloed en rozen – de laatste grote theaterpremière van het festival – Avignon dit jaar in zekere zin gered heeft, aangezien de hoogtepunten tot nu toe op het terrein van de dans lagen. Die redding in de Cour d’honneur was dus in het Nederlands.