Geen ironie, geen dubbele bodem

Het oeuvre van Johnny Hoes bevat duizenden titels.

Hij was geen heel bijzondere tekstschrijver, dat was ook niet zijn streven.

Veel mensen zullen bij de zaterdagavond op 94-jarige leeftijd overleden Johnny Hoes denken aan een meezinger als ‘Och was ik maar’. Het is een lied waarin een verliefde jongen vertelt dat hij wel zou willen dat hij die mooie, maar onbetrouwbare Madelein nooit had ontmoet. Hij zingt zijn ellende uit in de gouden regel „Och was ik maar bij moeder thuis gebleven”, die daarna gevleugeld is geworden. Johnny Hoes werd er beroemd mee, maar het lied was niet van hemzelf. Het was een Venloos carnavalslied van Frans Boermans en Thuur Luxembourg. Hoes hoorde het, wilde het graag in het Nederlands laten zingen, ging op zoek naar een zanger, vond niemand die het wilde doen – en deed het toen zelf maar.

Zo ging het vaak in de carrière van Hoes. Hij had een goed gevoel voor wat bij het grote publiek in de smaak viel en hij was snel en handig. Hij schreef teksten, hij verzon melodieën, hij zong. Soms leende hij tekst, soms leende hij muziek, soms allebei. Zo kwam een oeuvre van duizenden titels tot stand. Soms hoefde hij niet veel te veranderen, zoals bij de dijenkletser „en van je hoempa hoempa hoempa tè-tè-rè”, een bewerking van een Duits cafélied.

Als tekstschrijver was Johnny Hoes vooral goed in het genre van het gelegenheidsgedicht. Was het carnaval, dan kwam er een carnavalslied. Was er feest, dan kwam er een feestlied. Ik noem titels als ‘Tralalala’, ‘Tjonge jonge jonge’ en ‘Bier bier bier’. Hij bewerkte, in goed overleg, het clublied van Feyenoord (‘Hand in hand, kameraden’) en zette het op de plaat. Niet veel later deed hij hetzelfde met het clublied van Ajax (‘Op een slof en een ouwe voetbalschoen’). Daarmee zal Hoes niet in de canon van het Nederlandse lied worden opgenomen. Misschien wel met een enkele smartlap.

Zijn eerste hit, ‘De smokkelaar’ uit 1956, stelt in het eerste couplet een smokkelaar aan ons voor. In het tweede couplet maken we kennis met zijn lieve dochter Annelies („de liefste van de grens”) en haar geliefde (die „deed trouw zijn plicht als mens”). Wat zou deze jongen doen voor de kost? De vrijer van Annelies was, dat rijmt, grenscommies. Dan volgt het derde en laatste couplet. Het speelt zich af „op een bange winternacht” en dan voelt u ook al wel aan dat dit niet goed gaat aflopen. We zijn midden in een donker bos, op de grens. Een smokkelaar slaat op de vlucht, de jonge commies trekt zijn wapen en schiet.

En wat was dat?

Zwaar gewond lag op de grond

de vader van zijn schat.

Hier zien we de smartlap in zijn oervorm: goed gegeven, korte regels, strak rijm, recht op het doel af, tragisch ongeval – en aan het eind kunnen we alleen nog maar meesnikken om hoe zwaar het lot weer een arme medemens heeft getroffen.

Hoes schreef, tussen alle feestnummers door, tientallen van zulke treurige levensliederen, voor de Zangeres zonder Naam, de Alpenzusjes, Jacques Herb, Marianne Weber en vele anderen. Hij had er een goed gevoel voor, maar toch vind ik niet dat er met Hoes nu een heel bijzondere tekstschrijver is heengegaan. Het was ook niet zijn streven. En het hoort ook niet echt bij het levenslied: dat wil zich juist voegen in een lange traditie van eenvoudige verhalen op rijm, gezongen door rondtrekkende zangers. Ze zijn voorspelbaar en daarin zit voor een groot deel de troost. Spreektaal, stoplap, cliché, dooddoener. „Op een zeemansgraf staan nooit geen rode rozen.”

Er werd en wordt door intellectuelen graag geflirt met het levenslied, maar daar moest Hoes niets van hebben. Geen ironie, geen dubbele bodem. Toen hij dit voorjaar in de krant las dat de blinde Amsterdamse straatmuzikant Bennie Volkens op de Dam met zijn buikorgeltje door vier agenten was opgepakt, omdat hij niet over de juiste vergunning zou beschikken, schreef hij nog dezelfde dag uit woede een lied en hij liet het meteen inzingen door Stef Ekkel, zijn lievelingslevensliedzanger.

De blinde orgelman

moet van de straat.

Hij maakte mensen blij,

maar nu is het te laat.

Het is geen grootse poëzie, en grootser dan dit wordt het ook niet, maar daar gaat het bij een smartlap niet om. Je moet het horen, inclusief snik en uithaal.