Extreem-rechts organiseert zich nu op internet

Breivik, ‘de eerste anti-moslimterrorist’, handelde alleen, maar vond gelijkgestemden op internet. Vier lessen uit de Noorse tragedie voor andere landen.

We hebben op de verkeerde plaats gekeken, en met de verkeerde bril. Volgens Kari Partapuoli, directeur van het Noorse Centrum tegen Racisme, had niemand kunnen voorzien wat er op Utøya is gebeurd. Maar tegelijkertijd zijn er, voor wie zich in Europa zorgen maakt over extreem-rechts en/of over terrorisme, wel lessen te trekken uit het bloedbad dat Anders Breivik heeft aangericht. Hij opereerde als eenling. Maar zijn gedachtenwereld heeft veel raakvlakken met de politieke en maatschappelijke discussies in andere Europese landen, en roept de vraag op of dit een gedeeld universum is.

1. De belangrijkste conclusie: het gebeurt niet meer op straat, maar op internet. Partapuoli vertelde dat Noorse extreem-rechtse groepen sinds een jaar of drie actiever zijn op internet. Maar demonstraties van groepen als ‘Stop de islamisering van Noorwegen’ trokken slechts een handjevol mensen. „Er waren wel signalen, maar er was geen geweld op straat. Extreem-rechts is zich aan het organiseren op internet. Er zijn allerlei fora waar een paranoïde angst blijkt dat de moslims in Europa de zaak overnemen. Dat hebben we onvoldoende opgepikt.”

Buiten Noorwegen is daar al wel voor gewaarschuwd. In april constateerde Europol, waarin de politiekorpsen van de Europese landen informatie uitwisselen, in een rapport dat rechts-extremistische groepen steeds professioneler worden in de manier waarop ze jongeren aantrekken, onder andere met gelikte websites. „Hoewel de algemene dreiging van extreem-rechts extremisme lijkt te verminderen en het aantal extreem-rechtse misdaden relatief laag is, laat de professionaliteit van hun propaganda en organisatie zien dat rechts-extremistische groepen zich willen uitbreiden en hun ideologie willen verspreiden.”

Europol heeft zijn hulp aangeboden, maar de Noorse politie heeft laten weten vooralsnog geen internationale onderzoeken nodig te achten. Breivik was wel actief op een Zweeds forum over de identiteit van de Noord-Europese landen, maar er zijn geen aanwijzingen dat hij hier contacten heeft gelegd.

2. Een andere les, zegt Partapuoli, dat er beter moet worden gelet op de voedingsbodem. Ze voegt er meteen aan toe dat het buitengewoon moeilijk is de grens te trekken tussen wat valt onder de vrijheid van meningsuiting en onder oproepen tot geweld. „Je zou willen dat alles wat de kiemen van geweld in zich draagt, wordt verboden. Maar hoe doe je dat?”

Niet voor niets constateert een aantal mensen geschrokken dat zij een bron van inspiratie zijn voor Breivik. Pamela Geller van de website ‘Atlus Shrugs’, een Amerikaanse fan van Wilders, wordt geciteerd in het manifest van Breivik – net als omstreden Amerikaanse schrijvers als Robert Spencer en Bruce Bawer, die enige tijd in Nederland heeft gewoond en nu in Noorwegen zit.

Ook de Vooruitgangspartij, waarvan Breivik een aantal jaar lid is geweest, heeft meteen afstand genomen. Noorse politicologen noemen de brede aanhang voor deze partij, die in september 23 procent van de stemmen kreeg, als een verklaring voor de minieme rol van extreem-rechtse partijen in Noorwegen. Een groot deel van de onvrede over immigratie en de culturele veranderingen die dit met zich meebrengt, was hierdoor gekanaliseerd. „Wij hadden veel minder problemen dan Zweden, Denemarken of Nederland”, zegt politicoloog Anders Jupskas, die afgelopen najaar in Nederland heeft gewerkt. Maar ongetwijfeld laait nu de discussie op over de vraag of de felle uithalen naar de slikislamisering (sluipende islamisering) van de Vooruitgangspartij ook kiemen van geweld in zich dragen. Vergelijkbare vragen zijn te verwachten voor het Front National in Frankrijk, de PVV van Wilders, de Deense Volkspartij, de Ware Finnen, de Zwitserse Volkspartij en de Oostenrijkse Vrijheidspartij.

3. Een derde les is dat extreem-rechts een heel breed begrip is geworden dat niet goed meer helpt om te begrijpen wat er gebeurt in een samenleving. Neonazistisch gedachtengoed kom je nog tegen in Duitsland, Italië, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, maar in veel andere landen is ‘radicaal’, ‘ populistisch’ of ‘nationalistisch’ rechts een beter etiket. Waarbij ‘rechts’ vooral als ‘cultureel conservatief’ moet worden gezien. In ieder geval de Noorse, Finse, Franse en Nederlandse partijen hebben met hun nadruk op de bescherming van de gewone man veel sociaal-democratische elementen. Breivik is in sommige berichten ook een fundamentalistische christen genoemd. Dat is een apart ingrediënt in de populistische anti-moslim, anti-immigratie, anti-elite, anti-multiculti en anti-Europese cocktail. Maar Breivik, die de Noorse protestantse kerk veel te tolerant vindt, lijkt het christendom vooral als een culturele factor te zien.

4. Al vaak herhaald de afgelopen uren, maar daarom niet minder belangrijk: de terreurdreiging komt niet alleen van moslimextremisten. Breivik „is de eerste anti-moslim terrorist”, zegt Daniel Poohl, directeur van de Zweedse stichting Expo, die zich richt tegen anti-democratische en racistische tendenzen. In zijn woordgebruik en de manier waarop hij zijn doelwitten heeft uitgezocht, kan Breivik als het spiegelbeeld van een terrorist van Al Qaeda worden beschouwd. Zoals Bin Laden zich keerde tegen de aanwezigheid van ongelovige Amerikaanse militaire in Saoedi-Arabië, zo keert Breivik zich tegen de zichtbare rol van moslims in Europa. Retoriek is daarbij belangrijk. Breivik noemt Max Manus, een Noorse verzetsstrijder, en Winston Churchill als zijn helden. In het manifest dat op zijn (Engelse) naam staat, heet het: „We hebben de vrede een kans gegeven. De tijd is gekomen voor gewapend verzet.”

Het is dit soort retoriek dat volgens Partapuoli, van het Centrum tegen Racisme, vaker een alarmbel zal moeten doen afgaan. „Steeds vaker praten mensen op internet in termen van ‘strijd’ en ‘geen overgave’, of maken ze een vergelijking met de tijd vlak voor de invasie door Duitsland en zeggen ze dat de wapens opgenomen moeten worden.”

Ook de Noorse politieveiligheidsdienst PST had in haar dreigingsanalyse 2011 geschreven dat „toegenomen activiteit onder sommige anti-islamitische groepen kan leiden tot toenemende polarisatie en onrust, vooral tijdens [...] herdenkingen en demonstraties.” Maar haar conclusie van een paar maanden zal de PST zo snel mogelijk willen vergeten: „Net als in voorgaande jaren, zullen de extreem-rechtse en extreem-linkse gemeenschappen geen serieuze bedreiging voor de Noorse samenleving betekenen in 2011.”