Eenzame terreur in een context

De bomaanslag in Oslo en het bloedbad op Utøya lijken niet alleen daden van een psychopaat maar ook puur politiek geweld. Anders Breivik had het immers gemunt op de sociaal-democratie in den brede: op de bestuurlijke top én de jeugd van de regerende Arbeiderpartiet.

Bij aanslagen door moslimfundamentalisten in Madrid (2004) en Londen (2005) waren willekeurige passanten doelwit. Marxistisch-leninistische terroristen in de jaren zeventig richtten zich op ondernemers en/of overheidsdienaren, net als de afscheidingsbewegingen IRA en ETA.

In Noorwegen zijn nu de massaliteit van de terreur sinds 9/11, het tegen concrete personen gerichte geweld van links, separatistisch geweld en negentiende-eeuws nihilisme tot een nieuwe cocktail gemengd. Met als doel om de handlangers van islam en multiculturalisme te liquideren, veel maatschappelijke angst te zaaien en zelfs een (burger)oorlog te ontketenen.

Hoewel nog onbekend is hoe hij aan zijn geld kwam en of hij steun kreeg van derden wordt Breivik gezien als een ‘lone wolf’. Begrijpelijk. Door hem als gevaarlijke zonderling af te schilderen, wordt Breivik gereduceerd tot psychiatrische categorie. Dat verklaringsmodel heeft waarde, maar miskent dat hij ook in een maatschappelijke context heeft geopereerd. Breivik was ooit lid van de Vooruitgangspartij, een antibelastingpartij die anti-islampartij werd en nu, net als vergelijkbare partijen in Europa, circa eenvijfde van de stemmen haalt. Nadien radicaliseerde Breivik.

De aanslagen in Noorwegen zijn zo het spiegelbeeld van het linkse geweld in Europa en Amerika van de jaren zeventig. Er is natuurlijk veel veranderd. Door internet en sociale media kan terreur steeds meer thuis worden voorbereid. Maar net als toen is er ook nu een Umfeld, niet alleen in islamitische maar ook in ultranationalistische kring.

Die analogie biedt aanknopingspunten voor de bestrijding ervan. In de tijd van de Rote Armee Fraktion vervaagde, in het heetst van de strijd, weleens het onderscheid tussen daders, sympathisanten en onschuldige burgers die ook uit linkse ideologische bron hadden gedronken. Na de de moorden op Fortuyn en Van Gogh gebeurde dat in Nederland soms ook. Nuchtere analisten in Duitsland bleven de verschillen echter zien. En ze hadden succes. De RAF werd langzamerhand ontmanteld.

De sociaal-democratische voorlieden in Noorwegen lijken zich aan die les vast te klampen. Vrijwel direct na het bloedbad verklaarde de jeugdleider op Utøya dat terrorisme zich het beste laat bestrijden met „meer democratie”, en dus niet met minder maatschappelijke vrijheid.

Hoe moeilijk dat ook zal zijn en hoeveel indringende concrete vragen over politie en preventie er nog moeten worden beantwoord, uiteindelijk is een democratische aanpak toch de enige weg die een open rechtsstaat kan volgen als die wordt bedreigd door politiek geweld.