Zondag

Het is vaak een zondag als deze, waarop de laatste etappe van de Tour verreden wordt. De zomer toont een beetje grauwheid, alsof het zelf ook treurt om het einde. Terrassen worden naar binnen gedwongen door de regen. De krant van de zaterdag, waarin nog van een heroïsche bergetappe verteld werd, ligt bij het oud papier. Er draait een was.

Op televisie is het vuur gedoofd. Niet langer wordt gestreden om de overwinning, het is slechts een ererondje, een rondreizende tentoonstelling van drie weken wielergeschiedenis. De drie truien gaan bij elkaar fietsen, krijgen een glaasje champagne en halen de handen even van het stuur. Ze lijden niet langer. Ze lachen. Fotografen schieten er kiekjes van.

Dan draaien ze de Champs-Élysées op en zien we elk rondje vanuit dezelfde vaste camerastandpunten. De fontein, het gouden standbeeld en de obelisk in de bocht op Place de la Concorde. Een groepje vluchters probeert het nog één keer, maar wordt teruggehaald. Cavendish wint de massasprint.

Zo gaat het altijd en het was vandaag niet anders. Maar dat was, na al die onvoorspelbaarheid eerder, niet erg. We zagen landgenoten hard vallen en twee broers uit Luxemburg de overwinning uit handen geven. We zagen een onaantastbaar geachte Spanjaard groots verliezen en een norse Australiër onwennig winnen.

Had ik drie weken geleden geweten wat de laatste zin van mijn laatste Tourcolumn zou zijn, dan had ik ervoor getekend. En hij staat er, ondanks dat het lastig is lyrisch te zijn op een grauwe zondag als vandaag.

Wat een mooie Tour.