Wandeling 3 , de route van Raed: Dhahrieh - Ramadin - Rahat - Tel Aviv - Jaffa

Een grote Palestijnse vlag aan de muur is de enige decoratie van het centrale koffiehuis. Het café ligt in het centrum van Dhahrieh, een stadje in het uiterste zuidwesten van de Westelijke Jordaanoever. Mannen met rugtas of plunjezak vallen de hele ochtend binnen en bestellen een laatste kopje koffie voordat hun busje komt.

Zaterdag is de drukste dag in het café, zeker tweehonderd mannen en enkele vrouwen wachten hier op hun transport naar de afscheiding. Twee- tot drieduizend inwoners van Dhahrieh, dat zo’n 50.000 mensen telt, werken regelmatig in Israël, zegt de eigenaar van het koffiehuis.

Raed Hawani (24) heeft een universitaire graad als ingenieur, maar zegt dat er te weinig werk op de Westelijke Jordaanoever is om zijn twee kinderen te onderhouden. Raed reist naar Jaffa, een oud havenstadje ten zuiden van Tel Aviv, waar het merendeel van de inwoners bestaat uit Palestijnse Israëliërs. „Afwassen en schoonmaken in een restaurant verdient beter dan de bouw, en het is minder zwaar werk. Ik ben mager, niet gebouwd om stenen te sjouwen.”

Raeds inkomen in Jaffa raakt hij daar meteen al weer kwijt. Hij wordt, net als de andere Palestijnen die illegaal in de stad werken, in de wijk Ajami gechanteerd door lokale criminele bendes. Er zijn er drie: een Israëlische, een van oorsprong Russische en een Arabische groep. De Russen zijn het gewelddadigst, zegt hij. Die slaan al voordat ze iets vragen. „Maar de meeste problemen heb ik met de Arabische criminelen. Het zijn mijn broeders, zij zouden beter moeten weten.” Ongeveer de helft van zijn inkomen gaat op aan ‘bescherming’ door de criminelen. Wie niet betaalt, wordt aangegeven bij de politie.

Ook Raed laat zich in een busje rijden naar Ramadin, de populairste plek om de Westelijke Jordaanoever te verlaten. Daar staat een Israëlische tussenpersoon klaar die hem naar Rahat rijdt. Daar neemt hij een reguliere buslijn naar Tel Aviv. Hij ging vroeger wel eens via Jeruzalem, maar de militairen bij de controleposten zijn getraind op het herkennen van illegale arbeiders. Dat is te gevaarlijk geworden.

„Weet je wat ik zo raar vind”, vraagt Raed.

„Wij hebben ze nodig, want we moeten werken. Zij hebben ons nodig, want ze hebben niemand om het zware werk te doen. Er staat een muur die ons tegenhoudt. Hier hebben we allemaal last van.”