Wandeling 1 , de route van Maher: Tura al Gharbiya – Bethlehem – Oost-Jeruzalem – Latrun (Canada Park) – Kafr Kana

Palestinians walk along the controversial Israeli barrier before crossing into Jerusalem through an Israeli checkpoint in the West Bank town of Bethlehem during the first Friday of the holy month of Ramadan August 13, 2010. Muslims around the world abstain from eating, drinking and sexual relations from sunrise to sunset during Ramadan, the holiest month in the Islamic calendar. REUTERS/Baz Ratner (WEST BANK - Tags: SOCIETY RELIGION) REUTERS

Wij zijn boeren”, zegt Basim Zeit. „Grote mensen, sterke handen. Die pakken iets aan, het maakt niet uit of het een schaap is of een steen.” In zijn dorp, Tura al Gharbiya, is niet veel meer te doen. Onder de circa duizend inwoners heerst werkloosheid. En de desillusie drinken Basim Zeit, zijn broers en neven weg met liters zoete thee in zijn woonkamer.

Tura al Gharbiya ligt op vruchtbare grond, in het noorden van de Westelijke Jordaanoever. De Groene Lijn, de bestandslijn tot 1967, ligt zes kilometer verderop. Het gebied ligt vol met ondergrondse waterbronnen. In de buurt staat een bos. 2002 was het keerpunt, zegt Basim, een kalende veertiger met een snorretje. Dit was een van de eerste plaatsen op de Westelijke Jordaanoever waar Israël aan de bouw van elektronische hekken begon, ver in Palestijns land. Zo werd het dorp afgescheiden van de omliggende Joodse nederzettingen die in de jaren tachtig zijn gebouwd. Sindsdien zijn Basim en zijn familieleden afgesneden van het bos, een groot deel van de boomgaarden en akkers.

Camera’s en sensoren en diepe geulen maken de hekken onneembaar. Alleen tijdens de olijvenoogst, in het najaar, mogen de boeren een paar dagen naar hun land om olijven te plukken. Dan gaat het hek weer dicht. „We zijn 80 procent van ons inkomen kwijtgeraakt”, zegt Basim. „Ik had zestig schapen in 2002. Nu heb ik er nog acht.”

Zijn neef Maher Zeit (22) komt binnen, een slungelige jongen met een rode keffiyeh om zijn nek. Vandaag vertrekt hij voor drie maanden naar Israël, aan de andere kant van het hek. Hij is de armoede om zich heen zat, zegt hij, en hij heeft een baan gevonden als bouwvakker in het Palestijns-Israëlische dorp Kafr Kana. Het dorp ligt hemelsbreed nog geen tien kilometer verderop, maar de muur verplicht hem de komende dagen een omweg te nemen van honderden kilometers.

Een klein busje komt voorrijden en Maher loopt naar buiten. De 250 shekel (ongeveer 50 euro) die hij voor de rit moet betalen, verdient hij aan de andere kant in drie dagen terug. Het busje rijdt hem, controleposten omzeilend, naar een verzamelpunt in Bethlehem, ten zuiden van Jeruzalem. Van daaruit gaat Maher te voet naar de Olijfberg, in Oost-Jeruzalem, vanwaar een bus zonder stoelen hem en vijftig andere bouwvakkers naar Israël rijdt. Vlakbij de Groene Lijn is een groot park, het Canada Park, waar Israëlische bazen hun personeel oppikken. Maher moet zich daar in het bos schuilhouden totdat zijn baas hem oppikt.

De vorige keer is Maher in Jeruzalem gearresteerd, zegt hij. Een agent van de grenspolitie sloeg hem in elkaar, maar nam hem niet mee naar een politiecel. „Ze zitten altijd achter ons aan. Daarom nemen we telkens een iets andere route. We klimmen nu in Oost-Jeruzalem de muur over, zeven meter hoog, met een zelfgemaakte ladder.”

Aan de overkant wacht Maher een paar maanden van hard werken, slapen in een verlaten huis en een dieet van chocoladerepen. „Ik ben schapenboer van huis uit, net als mijn familie. Dit werk doe ik om toch iets te verdienen. Het betekent dat ik drie maanden slecht slaap: de politie kan altijd binnenvallen. Bovendien zie ik op tegen de terugreis; die is minstens zo gevaarlijk.”

Een omhelzing voor zijn familieleden en Maher stapt in. „Die jongen is niet bang”, zegt Basim. Drie dagen later stuurt Maher een sms’je. Hij is in Kafr Kana aangekomen.