Verward om de Griekse bankbijdrage? Niet erg

Vraag: hoeveel gaat de financiële sector nu écht bijdragen aan de redding van Griekenland?

Antwoord: geen idee.

Het communiqué van de Europese Top van donderdag sprak van netto 37 miljard euro. Een maatregel die daar deels los van staat, en waarbij via een ander kanaal Griekse staatschuld wordt ingekocht door de autoriteiten, telt daar nog eens 12,6 miljard bij op, omdat de financiële sector dan met verlies verkoopt. En dus ook bloedt.

In totaal 50 miljard dus, en dat is alleen voor de periode 2011-2014. Voor de periode 2011-2019 wordt de totale bijdrage in het document geraamd op 106 miljard euro.

De banken zelf, bij monde van hun internationale organisatie IIF, het International Institute of Finance, gaven eveneens een communiqué uit. Daarin draagt de banksector 54 miljard bij van midden 2011 tot midden 2014, en 135 miljard van midden 2011 tot het einde van 2020. De bedragen verschillen, maar de data ook. Eind 2014 bij de regeringsleiders en midden 2014 bij de banken. 2019 bij de regeringsleiders en 2020 bij de banken.

Dat zaait verwarring, hetgeen de vraag oproept waarom die niet is voorkomen. Maar bovendien: het gaat hier om bedragen die zowel niet vaststaan als fictief zijn.

Banken kunnen, volgens de lijnen van het Brady-plan waarmee een kwart eeuw geleden de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis werd opgelost, kiezen uit een palet van vier mogelijkheden. Alle vier die mogelijkheden leveren een verlies op van 21 procent van de zogenoemde net present value (NPV) van de Griekse schuld die de banken in de boeken hebben. Hoe werkt dat?

Een euro die je over een jaar van iemand terugkrijgt, is meer waard dan een euro die je pas over tien jaar krijgt. De NPV, de waarde vandaag de dag, is dus hoger. En een euro die je over tien jaar terugkrijgt tegen een jaarlijkse rente van 5 procent, is op dit moment meer waard dan die euro als je hem over tien jaar terugkrijgt tegen een lagere rente van maar 3 procent.

Zowel looptijd als rente beïnvloeden dus de net present value. Banken krijgen in het europlan de keuze om (1) hun Griekse obligaties voor hetzelfde bedrag in te ruilen voor nieuwe obligaties met een veel langere looptijd van tot dertig jaar, en een gemiddelde rente van 4,5 procent, of (2) hun bestaande obligaties, als die aflopen, door te rollen in deze nieuwe obligaties.

Of ze kunnen (3) hun bestaande obligaties omruilen tegen een korting van 20 procent, in nieuwe obligaties met een looptijd van tot dertig jaar. Die korting levert ze verlies op, maar daar staat een hogere rente (6,42 procent) tegenover.

De nieuwe obligaties die ze krijgen worden zowel bij mogelijkheid 1, 2 en 3 gedekt door zeer stevig onderpand dat de Grieken verwerven van het Europese stabiliteitsfonds EFSF. Dan is er nog mogelijkheid vier (4), waarbij er een korting is van 20 procent, en de nieuwe obligaties een looptijd hebben van 15 jaar. Het onderpand is hier wel iets slechter. Al deze vier mogelijkheden komen keurig uit op een vermindering van de net present value (NPV) met 21 procent.

Maar er is natuurlijk ook de mogelijkheid die niet wordt uitgesproken, en dat is keuze vijf: niets doen. De regeling is tenslotte vrijwillig. De ‘bijdrage’ van de banksector die het IIF berekent, is afkomstig van de schatting dat maar liefst 90 procent van de Griekse obligaties die in handen zijn van haar leden, echt wordt aangemeld voor mogelijkheid 1 tot en met 4.

Is dat te ruim gerekend? Het is in theorie mogelijk dat niemand meedoet, behalve dan misschien de banken die hun naam nadrukkelijk hun naam aan het IIF-document hebben verbonden. Voor Nederland is dat alleen ING, niet ABN Amro of de Rabo. Er ontbreken veel belangrijke banken, waaronder Dexia en Commerzbank.

De bijdrage van de banken, is dus een schatting van een boekhoudkundig verlies. Het kunnen tientallen miljarden worden, of nagenoeg niets. Zekerheid: geen.

Behalve misschien voor het goedgelovige thuisfront.

Maarten Schinkel