'Ik ben Jelle en dat is ook leuk'

Bij een boterham met kaas vertelt presentator Jelle Brandt Corstius over het leven voor en na Zomergasten. ‘Hoe bekender je bent, hoe minder je wordt gebeld.’

e staarfase is het vervelendst, zegt Jelle Brandt Corstius (32). „Mensen groeten niet, ze spreken me ook niet aan, ze kijken alleen.” De fase daarvoor is veel grappiger. Dat is de aanspreekfase. „Mensen denken dan dat ze me kennen en beginnen een gesprek. Soms duurt het erg lang voor ze erachter komen dat ze me nooit eerder hebben ontmoet.” Zoals de man laatst die dacht hem te kennen van een terras in Muiderberg. „Hij kon me maar niet plaatsen. Toen moest ik zelf wel zeggen: ‘Je kent me van tv.’”

Hij zegt dat hij de meest onwaarschijnlijke bekende Nederlander is. Samen met Aaf, zijn drie jaar oudere zus die een dagelijkse column schrijft in de Volkskrant. Jelle Brandt Corstius schreef als Ruslandcorrespondent voor Trouw. Niemand die hem toen op straat herkende. Tot zijn reisverslagen boeken werden, en zijn boeken documentaires op televisie. De series Van Moskou tot Magadan en Moskou tot Moermansk die hij maakte voor de VPRO vielen op. Dat kwam door de onderwerpen; Jelle praat met bewoners in het Ataïgebergte waar stukken giftig ruimteafval terecht zijn gekomen; Jelle die een Moskoviet laat vertellen over de zwerfhonden die de metro nemen naar de lekkerste markten in de stad. Het kwam ook door Jelle zelf. Zijn melancholieke blik in de camera, de aarzelende vragen, zijn vroegoude voorkomen.

Vorig jaar presenteerde Jelle Brandt Corstius Zomergasten. Een zondagavond lang mag één gast, meestal een prominente Nederlander, zijn ideale televisieavond samenstellen. Minstens zo belangrijk als de gast, is de presentator. Hoe deed hij of zij het? Beter of slechter dan Peter van Ingen, Adriaan van Dis, Hanneke Groenteman, Freek de Jonge, Margriet van der Linden, etcetera? Jelle Brandt Corstius zegt het zo: „Nederland telt net zoveel bondscoaches als zomergastenpresentatoren.”

Jellle Brandt Corstius was de jongste presentator ooit, van de best bekeken Zomergasten in jaren. En zo werd hij, ondanks zichzelf, een televisiepersoonlijkheid. Bekend bij VPRO-kijkers én bij Linda-lezeressen, die hem op de foto zagen met ontbloot bovenlijf, ingesmeerd met vaseline en zand voor het zomerse effect. „Ik hang overal tussenin. Heel comfortabel, want niemand ‘heeft’ me.” Maar, voor het perspectief: „Ik ben geen Gordon, hè. Na verloop van tijd slijt de bekendheid wel weer weg. Nu word ik nog maar één keer per dag aangestaard.” Vanaf zondag 24 juli presenteert hij Zomergasten voor de tweede keer. De eerste van de zes gasten is cabaretier Marc-Marie Huijbregts.

Sovjetprijzen

Jelle Brandt Corstius wil graag afspreken in de kantine van het Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Een stoïcijn zou het er gezellig noemen. Maar de boterhammen hebben er Sovjetprijzen (vijftien eurocent), er is uitzicht op het water waarin hij bij mooi weer even gaat zwemmen, en het is er rustig. Iets te rustig misschien voor de man op leeftijd met groene hanekam die aan een tafeltje verderop zit. Dat is punker Broodje, zegt Jelle Brandt Corstius. In de vitrines van het instituut is een tentoonstelling gemaakt over Dr Rat en de punkperiode.

De laatste weken zit Jelle Brandt Corstius er bijna elke dag om zich voor te bereiden op zijn zomergasten. Hier gaat het beter dan thuis of op zijn kantoortje. Hij leest boeken en oude interviews. Of hij al die informatie gebruikt in het programma? Soms helemaal niet. „Een persoonlijkheid vind je niet in een knipselmap. Vorig jaar was Maarten ’t Hart zomergast. Hij heeft in zijn leven misschien twee keer een jurk gedragen in het openbaar, maar er was geen interview waarin er niet over werd gepraat. Die man is toch meer dan een jurk. Maar goed, ik moet het allemaal wel weten.” Met alle zes kandidaten gaat hij vooraf één keer uit eten.

Sinds hij zelf bekend is, weet hij hoe het is om in een knipselmap te zitten. „Krankzinnig hoe dat werkt. De Jelle van een jaar geleden is anders dan die van nu. Televisie vergroot alles ook nog eens uit. Ik haalde een zwarte haar van de neus van Paulien Cornelisse, omdat ik dacht: dat leidt de kijker af. Meteen denkt iedereen dat ik met haar zat te sjansen. Mijn ogen tranen ja, dat komt omdat er drie uur lang lampen op staan te schijnen. Prompt ben ik een gevoelsmens, dat meegesleept wordt door de gesprekspartner. Sowieso schijnt iedereen te denken dat ik een goedzak ben. Onzin. Dat ben ik niet. Ik ben heel goed in ruziemaken.”

In zijn wekelijkse column voor Het Parool schreef Jelle Brandt Corstius op 13 juli: ‘Ik zie op tegen de zomer. De avonden, de moeizame gesprekken, waarbij de irritatie altijd op de loer ligt.’ Dat ging niet over Zomergasten, maar over een vakantieweek in Portugal deze zomer. „Mijn vader wordt 76. Hij viert het nooit. En nu ineens wel. Met de hele familie.” De hele familie bestaat uit Jelles vader en stiefmoeder (zijn eigen moeder overleed toen hij drie was), zijn zus Merel en man, zus Aaf en man en kinderen, en hij en zijn vriendin. Op het vorige familieweekeinde ging het ook mis. Dat was in Gelderland. „Ik stond de eerste avond al op de bushalte. Later ben ik toch terug gegaan naar het restaurant. Ik had honger.” Vroeger, toen ze met z’n drieën bij hun vader thuis woonden, was het nog erger. „Permanent ruzie met af en toe een wapenstilstand.” Niet over grote dingen, maar triviale irritaties. „Het zijn de spanningen als we allemaal samen zijn, die opvliegendheid van ons.”

Als het zo erg is, waarom wil zijn vader het dan? „Geen idee. Omdat hij het leuk vindt?” Hij kijkt erbij alsof hij het ook allemaal niet weet. Hij zegt het ook, een paar keer zelfs: „Ik weet niet hoe het in mijn vaders hoofd werkt.” Maar het beeld dat zijn vader een boeman was, rijst ook op uit de knipselmap. Zijn vader is Hugo Brandt Corstius, schrijver, wetenschapper en columnist. En ja, hij liet zijn moederloze kinderen vaak aan hun lot over en was altijd aan het werk. „Maar het is niet zo dat mijn jeugd een hel was. Natuurlijk waren er ook leuke dingen. Hij maakte reizen met ons, soms met een van ons apart. Wilde ik middenin de nacht in een dubbeldekker in Londen, dan gingen we met een dubbel- dekker. Nog steeds ga ik elk jaar met hem fietsen. Twee dagen, dat is lang genoeg. Hij fietst altijd door rood. Altijd. Moet hij aan de overkant op mij wachten, want ik stop wel. Hij nooit. Uit principe niet. Hij is in staat voor groen te stoppen.”

Het ergste van die familievakantie is nog wel dat er een week is gekozen waarin ‘iedereen kon’. „Het valt middenin Zomergasten.” Hij draait onrustig op het kuipstoeltje. Alsof hij zich ineens de strekking van zijn eigen woorden realiseert. „Ik ga het misschien toch maar afzeggen.” Twijfelt weer. „Ach nee, het is maar een half uur van het vliegveld, ik ben er zo weg.”

Kwetsen

Ruziemaken is blijkbaar geen talent dat hij aanboort op televisie. „Mensen lijken te verwachten dat ik mijn gasten ‘aanpak’, ze aftroef of klem zet. Dat wordt goede tv gevonden, maar het is ook makkelijke tv. Ik wil een interessant gesprek voeren, iemand in zijn waarde laten. En het is live, dat vergeten mensen wel eens. Ischa Meijer, die kon het. Een ruzieachtig gesprek voeren en er toch wat zinnigs uitkrijgen bij iemand. Zo ben ik niet en ik ga het ook niet proberen. Ik ben Jelle, en dat is óók leuk.”

Zijn vader was er wel heel goed in, in ruziemaken, meningen geven, kwetsen. Als ik dat zeg, zwijgt Jelle Brandt Corstius even. Dan vraagt hij: „Wat doet jouw vader voor werk.” Hij is gepensioneerd, zeg ik. „Ja maar, wat dééd hij.” Net als ik een rommelige samenvatting probeer te geven van mijn vaders beroep, leunt Jelle Brandt Corstius tevreden achterover. „Zie je wel”, zegt hij. „Je weet het niet precies. Ik ook niet. Mijn vader schreef stukjes. Die ik niet of nauwelijks heb gelezen. En nu niet meer zou begrijpen. Weet ik veel welke minister het was die hij destijds vergeleek met Eichmann?”

Jarenlang heeft hij een obsessie gehad met zijn achternaam, zegt Jelle Brandt Corstius. „Sollicitatiebrieven ondertekende ik alleen met Brandt. Ik wilde niet dat die naam een rol zou spelen.” Hij wil best vertellen waar de naam vandaan komt, maar waarschuwt van tevoren. „Ik heb het van mijn vader. En die verzint alles bij elkaar. Dat hij internet heeft uitgevonden. De magnetron. Dat hij bij de Black Panthers zat. Daar moest je zwart voor zijn, dus daarvan had ik wel door dat het niet waar kon zijn. Maar de rest... Ik heb eraan overgehouden dat ik mensen niet snel op hun woord geloof.” Maar goed, die naam, voor wat ervan waar is. „Mijn vaders grootvader heette Brandt. Zijn goede vriend Corstius betreurde het dat hij geen nakomelingen had en zijn naam zou uitsterven. Dus toen zou mijn overgrootvader die naam achter de zijne hebben geplakt.”

Hij heeft zijn vader gebeld om te vertellen dat hij Zomergasten mocht presenteren. „Hij stak meteen van wal: ‘Ja, die Peter van Ingen hé....’ Zou hij ooit een akkefietje mee hebben gehad. Als het al waar is. Ik zei: ‘Pap, ik ga het je nóg een keer vertellen: ik ga Zomergasten presenteren, en dan reageer je fatsoenlijk.’ En toen heeft hij me netjes gefeliciteerd.”

Zijn vader had eerst een mening en dan pas kwam de column. „Ik en Aaf doen bijna het tegenovergestelde. Ik voel al helemaal niet de behoefte mensen lastig te vallen met mijn opinie.” Wat hem is opgevallen tijdens alle reizen die hij maakte: de Nederlandse domineesgeest waart overal. „Buitenlanders beginnen eerst over marihuana, dan over hoeren en dan, als je doorvraagt, over onze betweterigheid. Het is er niet uit te rammen.”

Het is een van de onderwerpen die hij behandelt in het boek dat hij nu maakt, De Universele Reisgids voor Moeilijke Landen. Het gaat over de lastige kwesties die je als reiziger in elk land kunt tegenkomen. Hij geeft adviezen (‘Leer een paar woorden van de plaatselijke taal uit je hoofd’) en antwoorden op lastige vragen als hoe om te gaan met schuldgevoelens als je op vakantie bent in een een arm land.

„Het is een misverstand dat arme mensen ongelukkig zijn. Nergens zoveel depressieven als in Nederland.” Het moet bij ons iets te maken hebben met verveling, denkt hij. „Te veel tijd om na te denken. Dat is het heerlijke aan reizen. Je maakt je druk om wezenlijke zaken. Waar slaap ik vannacht, heb ik geld genoeg om te eten? Je bent bezig het leven onder controle te houden.”

Vijf jaar woonde en reisde hij in Rusland. „Ik dacht: als ik terugga naar Nederland, dan word ik gewoon gelukkig.” Nu heeft hij een koophuis en een vriendin. Maar geen rust. „Ik kan niet op één plek zijn. Ik moet weg. Onderweg zijn, dat is belangrijker dan de eindbestemming.”

In de herfst gaat hij weer naar India. Daar zal hij een vergelijkbare serie maken als hij deed in Rusland. „Ik wil verhalen vertellen. De absurde kanten van een land laten zien. In Nederland zie ik dat niet. ”

Hij is nu Hindi aan het leren. Met een vast groepje op de donderdagavond. „Zelfs als ik met vrienden ben, merk ik het verschil tussen voor en na Zomergasten. Mensen worden zenuwachtig als ik in de buurt ben. Hoe bekender je bent, hoe minder je wordt gebeld. Ze denken zeker dat je het toch te druk hebt. In de Hindigroep kijken de meesten niet naar Zomergasten. Zij bellen wel om te vragen of ik meega naar de film.”