Het zit heel anders met die euroscepsis

In de slotzin van zijn column van 14 juli trekt J.L. Heldring een vergelijking tussen de voortschrijdende euroscepsis en het drama van Srebrenica in 1995: „Ook hier werkte idealisme als boemerang, want nu is er weinig geestdrift meer voor zulke missies.”

Een zakelijke beschouwing van de jongste ontwikkelingen levert daarvoor géén onderbouwing, eerder het tegendeel.

De recente meest ingrijpende wetgeving van de EU betrof een grensoverschrijdend, aangescherpt bankentoezicht, een forse beperking van ook de Nederlandse autonomie op dat punt. Ze werd, terecht, positief ontvangen.

En Neelie Kroes zag door haar ingrepen, tijdens de bankencrisis, tegen nationale bevoordeling van banken in nood, haar populariteit als politica (nota bene vanuit het vermaledijde Brussel!) spectaculair stijgen.

En wat doorgeschoten idealisme betreft; vanaf het prille begin hebben ook de nuchterste Nederlandse politici (die van politieke de implicaties daarvan niets moesten hebben) in het Europese economische integratieproces een groot nationaal belang gezien: na de benarde naoorlogse situatie, nu nieuwe ontplooiingsmogelijkheden voor onze nijverheid en handel, vér buiten de enge grenzen van ons eigen territoir. Dat dat voor velen ook verbonden was met een ideaal – stabiele en vreedzame verhoudingen tussen de kleine en halfgrote buurlanden – was geen vage dromerij, maar gestoeld op een concreet project dat ook ons geen windeieren heeft gelegd, integendeel. En ons in de bankencrisis heeft behoed voor competitieve devaluaties, protectionisme overal om ons heen (zoals in de jaren dertig van de vorige eeuw), én voor sluipende concurrentievervalsing.

Tegen de regels en bevoegdheden van ‘Brussel’, zonder welke dit niet zo zou zijn verlopen, hebben eurosceptici hun stem dan ook niet verheven, ondanks ‘weggelekte’ soevereiniteit.

E.P. Wellenstein

Den Haag