Het is altijd goed om te weten wie wat beweert

Een politieman vertelde in de krant openhartig over de stress-stoornis, met angstdromen, die hij door zijn werk had opgelopen. De 51-jarige brigadier wilde niet met zijn achternaam in de krant en werd door de verslaggeefster alleen bij zijn voornaam genoemd. Maar op één plaats in het artikel (‘Later kwamen de angstdromen’, 25 juni) dook opeens zijn volledige naam op. Weg privacy.

Hoe kan dat, vroegen lezers zich af, van wie sommigen op internet nog allerlei andere informatie over de brigadier hadden opgeduikeld. Privacy is een nobel idee in het Tijdperk Google – zoiets als de onbevlekte ontvangenis.

Hoe zoiets gaat, is snel uitgelegd. De agent wilde alleen anoniem over de gevoelige materie spreken, maar de verslaggeefster wilde zijn naam er natuurlijk het liefst in. Bij nalezing van de tekst voor publicatie – waar zijn hele naam herhaaldelijk in stond – werd afgesproken het te houden op alleen de voornaam. De achternaam moest er dus uit. Maar in de omwerking van de tekst onder druk van de naderende deadline…. U raadt het al.

Zo’n fout is natuurlijk uiterst pijnlijk, en de eerste die dat besefte was de verslaggeefster. Zij heeft uitvoerig haar excuses aangeboden, zowel aan de politieman als aan de lezers die erover schreven. Maar ja, er was niets meer aan te doen.

Maar waarom moest de achternaam er eigenlijk af? De bron had dat liever – en zo’n verzoek kan worden gehonoreerd, maar er moeten wel goede redenen voor zijn. Iedereen in de omgeving van de agent wist ook nu meteen om wie het ging. Hij had zijn verhaal bovendien al, mét volledige naam, gedaan in een intern politieblad. Nu is dat heel iets anders dan in een landelijke krant, maar toch.

Het akkefietje legt een probleem bloot voor journalisten. Veel mensen willen alleen maar anoniem, met hun voornaam, of zelfs met een verzonnen naam in de krant – en media geven vaak toe. Zie de cursieve regeltjes onder artikelen dat namen „om privacyredenen” zijn veranderd. En de „getuige” of „gedupeerde” op tv die helemaal geen gezicht heeft, maar alleen een zwart profiel en een hele rare stem.

Soms is zulke bescherming van iemands identiteit begrijpelijk, bijvoorbeeld in juridische dossiers of bij onthullingen van groot belang. Maar in het algemeen vind ik dat de media er te toegeeflijk in zijn geweest. Want ja, je wilt niet dat het verhaal wegloopt naar de concurrent. En wat maakt die (achter)naam nou helemaal uit?

Burgers zijn ook behoedzamer geworden. Nu de wereld zichzelf permanent begluurt per mobiele telefoon, sta je voor je het weet op Facebook of YouTube – en suis je eeuwig en onbeschermd door cyberspace. Mondigheid, technologie en journalistieke concurrentie versterken elkaar zo in het oprukken van het leger der naamlozen.

Maar namen maken natuurlijk wél uit. Een krant moet bronnen zoveel mogelijk on the record zien te krijgen, met naam en toenaam. Dat maakt informatie controleerbaar en voorkomt dat mensen anoniem, of zelfs verscholen achter een valse naam, hun gram halen. Publiciteit is nu eenmaal niet gratis.

Voor anonieme bronnen gelden bij NRC Handelsblad regels die ik hier eerder al eens heb beschreven. Ze komen erop neer dat de informatie van de bron van groot algemeen belang moet zijn en niet op een andere manier te krijgen is, en dat de consequenties voor de bron ernstig moeten zijn, indien zijn naam wel wordt genoemd.

Voor de goede orde: zo’n anonieme bron is niet een willekeurige, naamloze jongen in een reportage op het schoolplein (of een Kamerlid in de marge van een debat); hier gaat het echt om hard nieuws.

Gefingeerde namen zijn taboe. Een paar jaar geleden zag je ook in deze krant nog wel eens artikelen waarin iemand onder de paraplu van een valse naam zijn hart uitstortte. Dat stond er dan wel ‘netjes’ bij, maar het blijft wringen. Berucht is bovendien het verhaal over een fictieve naam in een misdaadzaak, die de échte naam van een onschuldige bleek te zijn.

Iemand een andere naam geven mag niet meer, „ook niet op uitdrukkelijk verzoek”, staat in het Stijlboek. Mensen alleen aanduiden met hun voornaam mag wel, bijvoorbeeld als het gaat om minderjarigen, of als een volledige naam voor het verhaal niet nodig is. Bij een vakbondsdemonstratie hoef je niet iedereen die roept naar de Dam te willen, met naam en toenaam te identificeren.

De redactie houdt zich daar goed aan. Ik kan geen recente voorbeelden vinden van het vermelden van gefingeerde namen (maar wie weet, misschien krijgt de ombudsman een aangepaste editie toegestuurd, dus blijft u goed opletten).

Er is ook een keerzijde: het wél noemen van de hele naam van een bron betekent niet dat alles wat hij of zij zegt ook alleen maar voor haar of zijn rekening komt. De journalist heeft de plicht om feitelijke beschuldigingen te checken, of op zijn minst wederhoor te vragen. Dat zie je nog wel eens misgaan in persoonlijke verhalen, onder het motto ‘het is toch zijn/haar verhaal’? Ja, dan zou journalistiek een stuk makkelijker zijn.

Ooit plaatste de krant een reportage over Jomanda, waarin een volgeling van het medium, met naam en toenaam, beweerde dat hij jaren door zijn moeder was misbruikt. Maar was die moeder ook gebeld?

Drie dagen later verscheen de beschroomde aanvulling: de moeder ontkende alles.