De VS, Europa en de crisis van het compromis

De Verenigde Staten en de Europese Unie hebben grote schulden. Compromissen zijn nodig om deze weg te werken, maar nu de perspectieven slechter worden, loont het om een compromis af te wijzen en vast te houden aan je eigen standpunt. Dit is een gevaarlijke ontwikkeling, vindt Hubert Smeets.

De brekers rukken op, de bouwers taaien af. Er heerst een nieuwerwetse revolutionaire stemming in de oude democratische wereld. Deze stemming is gericht tegen slome compromissen. Alleen onverbiddelijke overwinningen zijn aanvaardbaar. Het is een stemming die niks heeft met het algemeen belang maar alles met meedogenloze strijd hier en nu. Het is een stemming die verlangt naar onversneden macht: wij of zij, alles of niets, de dood of de gladiolen!

Op zichzelf is dit soort politiek machismo niet uniek. Het hoort bij het vak van de politicus om eerst hoog van de toren te blazen en pas later concessies te doen. De politieke ambachtsman tast de tegenstander zo af dat de achterban de indruk krijgt dat zijn belangen voor de poorten van de hel zijn weggesleept.

Maar nu wordt het streven naar een compromis minder gezien als deugd, onmisbaar voor een pluralistische democratie waar de meerderheid oog heeft voor de minderheden. Het compromis is nu een jammerlijk falen, dat alleen in uiterste noodzaak denkbaar en altijd tijdelijk is.

Deze zwartwitgeest was altijd al sterk in dichotome kiesstelsels, zoals in de Verenigde Staten. De politieke cultuur is daar doordrenkt met een winnaarsmentaliteit. Maar het harde, bittere ‘nee’ van de Republikeinen in de onderhandelingen over het staatsschuldplafond, twee weken voordat de deadline verstrijkt en de overheid in surseance kan raken, is toch weer een nieuwe stap in de polarisatie. En een curieuze stap. Een rekenaar zou zeggen dat Amerika, na de interventies in Afghanistan en Irak die toenmalig minister Rumsfeld van Defensie op een koopje dacht te kunnen uitvoeren, nu wel weet dat de schatkist niet wordt gevuld door een perpetuum mobile. Maar kennelijk is dat geen reden voor concessies. Zeker de Tea Party blijft roepen dat je een staatsschuldencrisis, die circa 1.400 miljard dollar groot is, zonder extra belasting kunt overwinnen.

Ook Europa raakt in de greep van deze tweespalt. De breuk tussen ‘neuro’s’ en ‘zeuro’s’ illustreert dat. De crisis in België is er eveneens een uiting van.

Natuurlijk zijn er echte belangentegenstellingen tussen Frankrijk, Duitsland en Nederland. Maar dat verklaart niet waarom de regeringsleiders zo opzichtig met een dubbele tong spreken: met een taal voor het binnenland en een taal voor elkaar. Deze onmacht – of onwil – leidt er toe dat de Griekse staatsschuldcrisis vooruit wordt geschoven.

Datzelfde geldt voor de wanhoop die zich woensdag van koning Albert II der Belgen meester maakte, omdat de grootste partijen in Wallonië en vooral Vlaanderen geen gesprek met elkaar aandurfden uit angst dat ze een compromis zouden sluiten.

In beide crises is er één rode draad. De meeste leiders verschuilen zich achter een nationaal electoraat dat zich bedonderd voelt door de buitenwereld. Ze zoeken aansluiting met een al maar uitdijende kiezersgroep die tabak heeft van compromissen en nu daadkracht wil zien.

Deze dubbelhartigheid manifesteert zich bij uitstek in Nederland waar een minderheidskabinet voor elke stem in de Staten-Generaal moet vechten en dus juist openlijk compromissen zou kunnen zoeken. Maar het wil deze schijn vooral niet wekken. Minister De Jager (CDA, Financiën) bewijst dat. Bijna dagelijks laat hij weten dat er aan de Grieken geen Nederlands belastinggeld besteed wordt. Mooi om te weten. Maar het is niet waar. Toen de druk van bondskanselier Merkel te groot werd – haar liberale vicekanselier Rösler had in Berlijn de taak om zijn geestverwant premier Rutte op het spoor te houden – ging hij door de knieën. Alleen mogen we dat niet weten. Het macho-imago is belangrijker dan de werkelijkheid.

De vraag is : waarde compromisloze politiek vandaan komt en welke consequenties zijn er denkbaar.

Het debat ging tien jaar lang over gevoelens en opvattingen: de multiculturele samenleving, immigratie, religieus geweld, geloof en etnische of godsdienstige minderheden. Maar nu wordt het tijd voor een plattere, materialistische analyse van de hedendaagse politieke schismata. Die benadering draait om economie, verwachtingen en mobiliteit.

Wanneer het nationaal inkomen groeit, de individuele kansen stijgen en de emancipatie op de kinderen overerft, is er in in de politiek bereidheid tot compromisvorming. Als de spreekwoordelijke koek groter wordt, gaat de strijd om de verdeling van de groei. En die kan dan worden gevoerd zonder de inzet ‘alles-of-niets’. Dat vereist overeenstemming over de relevante feiten en erkenning van gedeelde belangen en aanvaardbare verschillen. Maar als het compromis er is, wordt iedereen min of meer beter van de consensus

In tijden van materiële stagnatie, gefnuikte verwachtingen en grotendeels voltooide verheffing dreigt de winst van de één juist het verlies van de ander te worden. Iedereen wil zijn koek beschermen. Een compromis is dan een potentieel gevaar.

Een historische analogie dringt zich op: namelijk een verwijzing naar de belle époque tussen pakweg 1890 en 1914. In die periode bereikte het vrije verkeer van kapitaal een, tot dan, nog ongekende liberale hoogte. Tegelijkertijd dienden zich rond 1900 nieuwe industriële grootmachten aan, die profiteerden van de ‘wet op de remmende voorsprong’: Amerika na de burgeroorlog, Duitsland als verspätete Nation, en het net geopende Japan. Of China, India en Brazilië nu een vergelijkbare rol gaan spelen, is onbekend. Maar we weten wel dat Amerika en Europa zich in de verdediging gedrongen voelen.

Het politieke klimaat ontwikkelt zich eveneens in defensieve richting. Het onbekommerde wereldbeeld van na de Koude Oorlog, nu twintig jaar geleden, heeft plaatsgemaakt voor onzekere vooruitzichten. En die angstige ondoorzichtigheid noopt niet tot compromisvorming. De politieke arena gaat zo lijken op een baissemarkt. Waarom nu een koopcontract opstellen, als het straks goedkoper is? Het zijn bij uitstek de radicale flanken van politieke bewegingen die zich deze speculatie op achteruitgang eigen hebben gemaakt. De dalende verwachtingen onder de burgerij werken als gist. Ze hebben dus geen haast. Want de kans dat hun electoraat later verder is uitgedijd blijft groot, zolang de perspectieven troebel of somber blijven. Wie zo min mogelijk concessies doet en zich niet laat committeren heeft uitzicht op meer in plaats van minder macht.

Dit zijn vaker de calculaties die vooraf gaan aan een revolutie . Revoluties worden niet gemaakt door opstandelingen die enthousiast de macht bestormen noch door ideologen die denken dat moraal belangrijker is dan vreten. Ze zijn meestal het werk van geduldige rekenaars die wachten tot dat ene moment dat de boel met een klein zetje hun kant kan oprollen.

In Amerika heeft de Tea Party dat elan: nu geen akkoord sluiten over het schuldenplafond, laat het failliet van de staat maar komen, over vijftien maanden zijn er verkiezingen. In Europa zijn het de anti-federalen van de nationaal-bolsjewistische soort die speculeren op vergelijkbare risico’s met de pluralistische staat. Links of rechts zijn in dit schema minder belangrijke categorieën.

Dat is geen aangenaam vooruitzicht. De economische recessie en de schuldencrises zouden zo namelijk kunnen leiden tot een democratische crisis, zoals zich in Griekenland en ook Italië al aandient.

Maar er is hoop. De belangrijkste onzekere factor is paradoxaal genoeg de burgerij, op wie de radicalen zich zeggen te baseren. Die burgerij heeft dan wel bewondering voor alles-of-niets-politiek. Maar dat is misschien toch vooral theatrale waardering.

Want als hun materiële belangen op het spel staan, dan opteren de meeste burgers tussen zwart of wit toch voor een veilige grijstint.

Hubert Smeets is commentator van NRC Handelsblad.