Cadel Evans

Cadel Evans is iemand die wil lijden, een man die wacht op het moment dat het noodlot hem treft. Evans plant zijn trouwdag op vrijdag de dertiende, hij organiseert een barbecue als er stortbuien voorspeld worden. Hij staat langs de kant van de weg met een lekke band als zijn grootste concurrent net demarreert.

Want alleen dan is hij goed. Door in iemands wiel gaan zitten met de verwachting dat het allemaal wel weer voor zijn ogen in elkaar zal storten. Zo gaat het tenslotte toch altijd? Je ziet het hem denken. Rijd me eraf, duw me van mijn fiets, breek mijn moraal, gooi me in het ravijn. Ik vraag erom.

Totdat het zover is rijdt hij door, omdat hij simpelweg niet zelf kan beslissen tot opgave. Zo trok hij donderdag in zijn eentje vijftien man de Galibier op, in een monsterlijke achtervolging op Andy Schleck. Uit pure woede dat het noodlot hem nog niet gevonden had en hij dus moest blijven vechten.

Zolang het lot Cadel Evans niet laat verliezen, vertikt hij het zelf te doen.

En zo is dit, ondanks die kwaaie kop, dat gebrek aan avontuurlijkheid en dat eeuwige wieltjesplakken, toch een eerbetoon aan Cadel Evans geworden. Want ik zag hem staan, in een gele trui, hij trok de kraag recht, gaf de pluche knuffel een kus, hij won, en hij huilde. En het noodlot was eens lang genoeg weggebleven om hem alleen te laten met alle geluk van de wereld.