Weg met het ontaarde liberalisme!

Het liberalisme munt erin uit oorlogen te vermommen als humanitaire acties ter bevordering van de vrede, aldus Hitlers ‘kroonjurist’. Zie hier een reden waarom de denker Carl Schmitt nu nog gelezen wordt.

Carl Schmitt: Tagebücher 1930 bis 1934. Herausgegeben von Wolfgang Schuller in Zusammenarbeit mit Gerd Giesler. Akademie Verlag, 519 blz. € 64,95 (geb.)

Wat te doen als langs democratische weg een partij komt bovendrijven die de democratie wil afschaffen? Stel dat Wilders’ PVV inderdaad de reprise van het fascisme blijkt te zijn die zijn tegenstanders erin willen zien. Of stel dat Wilders gelijk krijgt, en Nederland een fundamentalistisch regime wordt opgedrongen door een meerderheid van moslims.

De vergelijking met de laatste jaren van de republiek van Weimar is dezer dagen al vaak gemaakt. Toen werd de democratie verlamd door communisten en nazi’s, en zocht men de uitweg in een Präsidialsystem: kabinetten werden gevormd buiten het parlement om, op basis van grondwetartikel 48 dat de rijkspresident de bevoegdheid gaf om indien nodig via noodverordeningen te regeren. In januari 1933 bleek het niet meer te werken. Heel Duitsland hield de adem in.

De staatsrechtgeleerde en politiek filosoof Carl Schmitt (1888-1985) schreef op 27 januari in zijn dagboek: ‘De Hindenburg-mythe is ten einde. Vreselijke toestand. Schleicher treedt af, Papen of Hitler komt. De oude heer is gek geworden’. Maar drie dagen later lezen we: ‘Daarna naar café Kutschera, waar ik hoorde dat Hitler rijkskanselier en Papen vice-kanselier is geworden. Opgewonden, blij, verheugd’.

Schmitt is de geschiedenis ingegaan als Hitlers ‘kroonjurist’. Geen wonder dus dat hij de Machtübernahme door de nazi’s met opwinding, blijdschap en vreugde begroette. Toch is enige verbazing op zijn plaats, want in januari 1933 was Schmitt nog helemaal geen nazi. De voorafgaande jaren had hij juist hand- en spandiensten verleend aan dat Präsidialsystem. Pas eind april zou hij lid worden van de NSDAP.

Schmitts optreden als nazi-jurist valt grotendeels buiten het bestek van de onlangs gepubliceerde Tagebücher 1930 bis 1934. Maar zijn politieke invloed moet heel beperkt zijn gebleven. Van de nazi-top leerde hij alleen Hermann Göring en Hans Frank van nabij kennen. De eerste benoemde hem tot lid van de Pruisische Staatsrat, de tweede gaf hem diverse leidende functies binnen de juridische wereld. In 1936 zouden ze hem weer worden ontnomen, nadat het SS-blad Das Schwarze Korps de authenticiteit van zijn nationaal-socialistische gezindheid in twijfel had getrokken, onder meer op grond van zijn katholieke verleden.

Viel er op Schmitts loyaliteit dan zoveel aan te merken? Dat niet. Toen op 30 juni 1934 de top van de SA om het leven werd gebracht (met Schmitts voormalige broodheer, oud-rijkskanselier Kurt von Schleicher), reageerde hij met een artikel getiteld ‘Der Führer schützt das Recht’, waarin de moordpartij werd goedgepraat als een daad van gerechtigheid. Het diepte- of hoogtepunt kwam in 1936, vlak voor de val, toen hij een juridisch congres organiseerde met als thema ‘Das Judentum in der Rechtswissenschaft’. Wat Hitler ook deed, het werd door Schmitt van een juridische rechtvaardiging voorzien. Schmitts nazi-engagement ligt sindsdien als een steen op zijn oeuvre. Het heeft dat oeuvre voorgoed omstreden gemaakt, maar daardoor ook prikkelend.

Schmitt geldt als een ‘gevaarlijk’ denker en daar houden we van. Alleen van een hard core nazi houdt niemand. Daarom proberen Schmitts verdedigers boeken als Politische Romantik, Politische Theologie, Verfassungslehre en Der Begriff des Politischen, alle geschreven vóór 1933, van nazi-smetten vrij te pleiten. Dat hij zich nadien met het nationaal-socialisme heeft geëngageerd, verklaren zij uit een al dan niet ‘nihilistisch’ opportunisme: Schmitt wilde zijn plek in de coulissen van de macht niet verliezen en was daarvoor bereid alles te zeggen en te schrijven wat men van hem verlangde. Zijn tegenstanders draaien deze redenering om: het nazi-engagement zou juist Schmitts ware gezicht onthullen. Zijn belangrijkste drijfveer was een verborgen maar daarom niet minder venijnig antisemitisme, dat pas in het Derde Rijk openlijk van zich blijk kon geven.

Natuurlijk is het niet alleen deze controverse die de belangstelling gaande houdt. Dat men elkaar over Schmitt in de haren vliegt, komt doordat hij nog altijd gelezen wordt. Hoewel hem in 1945 zijn hoogleraarschap werd ontnomen, bleef hij politieke denkers inspireren. Zowel ter rechterzijde als ter linkerzijde. Vooral sinds 1990 is er sprake van een ware hausse. Conservatieven, van de Amerikaanse ‘neocons’ tot de leden van onze Edmund Burke Stichting, beroepen zich op Schmitt, maar ook linkse postmoderne filosofen als Derrida, Mouffe, Agamben, Zizek, Negri en Hardt gingen bij hem te rade. Het onderscheid tussen vriend en vijand, dat Schmitt aanwees als het wezen van de politiek, bleek heel goed bruikbaar in de strijd tegen het moslim-terrorisme of desnoods tegen de islam als zodanig. Wie echter de mondiale triomf van kapitalisme en liberale democratie verafschuwde, kon ook bij hem terecht.

In de moderne geschiedenis ontwaarde Schmitt een neiging tot ‘neutralisering’ van tegenstellingen en conflicten. Vooral het liberalisme was er goed in oorlogen te vermommen als humanitaire acties ter bevordering van de vrede. De moraal als dekmantel voor wat in werkelijkheid gewoon een zaak was van macht en eigenbelang. Hoe Schmitt over de westerse interventies in Afghanistan, Irak en Libië zou hebben geoordeeld, laat zich raden. Haarscherp wist hij de zwakke plekken van zijn liberale tegenstander aan te wijzen. De meest uiteenlopende partijen konden en kunnen daar hun goed mee doen – zonder Schmitts motieven te hoeven delen.

Zo gemakkelijk zijn die dan ook niet te achterhalen. Net zo min als de motieven voor zijn keuze voor Hitler in 1933. Schmitts meest recente biograaf Reinhard Mehring (Carl Schmitt. Aufstieg und Fall, 2009) komt met niet minder dan 42 verschillende motieven, waaronder opportunisme en jodenhaat. Voor de lezer is dat l’embarras du choix. Aan dit euvel lijdt Mehrings hele biografie, die zo vol zit met over elkaar heen buitelende gegevens en analyses dat voor een duidelijke samenvattende visie geen ruimte overblijft. Des te nieuwsgieriger word je dan naar het oorspronkelijke bronnenmateriaal, in dit geval Schmitts dagboek uit de brisante jaren 1930-1934.

Achteraf heeft men voor zijn nazi-engagement ook een theologisch motief gevonden: het katechon-motief. De katholiek Schmitt zou zich bij de nazi’s hebben aangesloten teneinde de liberale Antichrist te kunnen ‘ophouden’ – in afwachting van het Laatste Oordeel. Door de politiek (‘het intensieve leven’ volgens Schmitt) te willen afschaffen ontkende het liberalisme de ernst van het bestaan. Dat was onverdraaglijk.

Voor Schmitt hadden religie en politiek inderdaad veel met elkaar te maken. Maar het dagboek suggereert nog een ander motief. Niet zozeer zijn antisemitisme, hoewel dat frequent van de pagina’s spat; Schmitts tegenstanders krijgen op één punt gelijk: zijn jodenhaat was beslist geen opportunistische concessie aan de nazi’s, want ook al vóór 1933 wemelt het van de antisemitische oprispingen. Na 1933 waren er slechts een paar veranderingen nodig om het antisemitisme in zijn politieke theorie te passen, maar dat wil nog niet zeggen dat het eraan ten grondslag lag. En uit het dagboek blijkt nergens dat hij allereerst voor Hitler koos wegens diens jodenhaat.

Wat daarentegen in het oog springt, is Schmitts humeurige wisselvalligheid. Steeds valt hij ten prooi aan stemmingswisselingen. Eerzucht en ambitie worden afgewisseld met buien van diepe onzekerheid en vertwijfeling. Nu eens voelt hij zich op de toppen van zijn kunnen, dan weer gelooft hij dat iedereen hem in de steek heeft gelaten. Een van zijn beste vrienden, Ernst Jünger, wordt de ene keer liefdevol aan de borst gedrukt, de andere keer weggezet als een Schlaumeier’ (goochemerd). Ook in de erotiek (die een verrassend grote plaats inneemt) toont Schmitt zich allerminst een man uit één stuk, lijdend onder een hopeloos ‘dualisme’ tussen de aan verering grenzende liefde voor zijn tweede echtgenote Duschka en de vuige lusten die bijna elke leuke vrouw voor hem onweerstaanbaar maken.

In het dagboek heeft hij het niet toevallig over de ‘scheefheid, halfheid, gemengdheid, het compromisachtige van al het menselijke bestaan, denken en doen’. Dat slaat ook op hemzelf. Het klinkt niet erg autoritair of fascistisch; het lijkt beter te passen bij het liberale pluralisme en de parlementaire democratie die Schmitt zijn leven lang heeft bestreden. Wat dit dagboek suggereert is dat Schmitts politieke strijd, zijn autoritaire politieke theorie, evenals de polemische scherpte en precisie van zijn stijl, op een onbewust niveau ook tegen hemzelf waren gekeerd. Ook het merkwaardige gegeven dat hij eerst contra en vervolgens pro Hitler ageerde, wordt nu begrijpelijk. Het was hem te doen om de autoriteit an sich – omdat hij die in zijn zondige leven nodig had.

Schmitt was een vijand van het communisme, maar hij had er ontzag voor. Het nationaal-socialisme was alleen een vijand binnen het bestek van de Weimarrepubliek. Schmitt was een politieke realist en opereerde altijd binnen de gegeven omstandigheden. Vandaar dat het hem niet moeilijk viel om na de Machtübernahme met de nazi’s mee te doen. Zijn ware, zijn diepste tegenstander was altijd de chaos van het moderne liberale pluralisme, waarvan hij het kwellende equivalent in zijn eigen binnenste tegenkwam. Daar werd het onder meer met drank bestreden (er worden heel wat flessen wijn in dit dagboek weggewerkt), in de grote buitenwereld met politiek.

Hitler viel voor Schmitt niet buiten de politiek, het ontaarde liberalisme wel. Dus of het verstandig is tegenover Wilders of het moslim-fundamentalisme Schmitts remedie na te volgen, valt te betwijfelen. Maar het zou dom zijn iemand met zo’n intieme kennis van zaken ongelezen te laten.