Vlees, intiem en hartverscheurend

De Britse kunstenaar Lucian Freud was een van de grootste realistische schilders van de twintigste eeuw. Vooral zijn naakten zijn indrukwekkend. Met haviksogen bracht Freud, kleinzoon van Sigmund, elk detail van het menselijk lichaam in kaart.

Er is geen schilder die zo goed in olieverf kon uitdrukken hoe een spier onder een bleke huid beweegt als Lucian Freud. Geen schilder die zo goed kon vastleggen hoe een onderkin over een boord puilt, of hoe de vacht van een hazewindhond glimt in het licht. De schilder van vlees, zo zal Freud de geschiedenis in gaan. Hij was de grootste onder de realistische schilders van de twintigste eeuw.

De Britse kunstenaar stierf woensdagnacht, na een kort ziekbed, thuis in Londen. Hij werd 88 jaar. Volgens zijn galeriehouder William Acquavella leefde hij voor het schilderen en schilderde hij tot op de dag dat hij stierf. Hij heeft verschillende onafgemaakte schilderijen nagelaten.

Meer dan zestig jaar werkte Freud, die zich nooit wat aantrok van de geldende kunststromingen, aan een oeuvre vol indringende, intense, hartverscheurende beelden. Zijn stijl was hard en genadeloos, zijn thematiek ontroerend maar nooit sentimenteel. Met haviksogen bracht hij ieder detail van het menselijk lichaam in kaart: de rood aangelopen neuzen, de waterige ogen, de knokige schouders of juist het lillende vet. Nooit flatteus en altijd intiem. Bij ieder schilderij proef je dat de beelden oprecht zijn. Aan idealiseren deed Freud niet. „Je moet niet toegeven aan je onderwerp”, zei hij. „Dat is een recept voor slechte kunst.”

Freud schilderde altijd naar het leven. Met engelengeduld boetseerde hij de olieverf in de vorm van een menselijk lichaam. „Vlees is levende klei”, zei hij. Tot op late leeftijd werkte hij aan meerdere schilderijen per dag, en liet hij zijn modellen opdraven voor ochtend-, middag- en avondsessies. Hij was een langzame schilder, voor sommige doeken moesten zijn modellen wel zeventig keer terugkomen – ook als hij die dag slechts ploeterde op een deurknop of raamkozijn. „De aanwezigheid van het model verandert alles”, vond de kunstenaar. Het verklaart ook waarom zijn onderwerpen vaak zo uitgeblust afgebeeld staan, liggend op bed, of onderuitgezakt in een stoel.

Freud noemde zijn werk autobiografisch – hij schilderde alleen mensen die hij liefhad of die hem interesseerden. Vrienden en familieleden stonden vaak model, onder wie zijn dochters Bella en Esther, en zijn assistent David Dawson. Bijzonder aangrijpend zijn de portretten die hij tussen 1970 en 1989 van zijn moeder maakte. Freud bracht veel tijd met haar door nadat ze in 1970, na de dood van haar echtgenoot, had geprobeerd zelfmoord te plegen. De reeks schilderijen en tekeningen vormt een aangrijpend document over ouderdom en depressie.

Een bijzondere relatie was die tussen Freud en Leigh Bowery, een Australiër die met zijn bizarre uitdossingen eind jaren tachtig een beroemdheid was in de Londense clubscene. Bowery begon in 1990 voor Freud te poseren en bracht soms meer dan veertig uur per week in diens atelier door. Freud schilderde hem in allerlei poses: staand op een voetstuk, als een Romeinse god, of liggend tussen de witte doeken waarmee Freud zijn kwast afveegde. Bowery stierf in 1994 aan aids. „Hij was zeer fijngevoelig”, zei de schilder over hem. „Hij creëerde een gevoel van vriendelijkheid en luchtigheid.”

Aan professionele modellen had de schilder een hekel – al maakte hij voor de zwangere Kate Moss tien jaar geleden een uitzondering. Freud was geen schilder die op bestelling portretten schilderde. Verzoeken van paus Johannes Paulus II en prinses Diana werden door hem afgewezen („Ik kon achter haar imago haar echte karakter niet vinden”, zou hij over Lady Di zeggen), en koningin Elizabeth II hield hij zes jaar lang aan het lijntje. Toen hij uiteindelijk in 2001 besloot haar toch te schilderen, maakte hij een portret dat allesbehalve majestueus te noemen is. De koningin oogt op Freuds schilderij pafferig en pokdalig, met loensende ogen en een donkere kin die de indruk wekte dat de vorstin zich slecht geschoren had.

Vanwege zijn turbulente liefdesleven was Freud in Engeland een geliefd onderwerp voor de roddelpers. De schilder was slechts tweemaal getrouwd, maar zou volgens een telling van de Sunday Telegraph ruim veertig buitenechtelijke kinderen hebben, van wie hij er vijftien erkende. Op zijn 78ste had hij nog een relatie met de ruim vijftig jaar jongere journaliste Emily Bearn, die hij verleid zou hebben toen ze voor hem poseerde. Freuds liefdesleven was zelfs zo berucht dat er in 2004 in Edinburgh een toneelstuk in première ging dat uitsluitend daarover handelde.

Zelf weigerde Freud om mee te doen aan de verplichtingen die bij beroemd-zijn horen. Hij verscheen nooit op televisie en gaf zelden interviews. Zijn weinige uitspraken in het openbaar zijn keer op keer in catalogi en artikelen gereproduceerd. Zoals: „Ik kijk graag naar mensen alsof zij dieren zijn” of: „Ieder portret is een zelfportret.”

Freud werd in 1922 in Berlijn geboren als zoon van architect Ernst Freud, de jongste zoon van Sigmund Freud, en Lucie Brasch, dochter van een graanhandelaar. In 1933 vluchtte hij met zijn familie naar Engeland, waar Sigmund Freud zich in 1938 bij hen voegde. Met een zandstenen sculptuur van een paard werd hij toegelaten aan de Central School of Arts and Crafts in Londen, waarna hij de East Anglian School of Painting and Drawing in Dedham volgde, waar hij studeerde bij schilder Cedric Morris.

Zijn vroege werken waren nog sterk beïnvloed door de schilders van de Duitse Nieuwe Zakelijkheid, onder wie George Grosz en Otto Dix. Ook herinnerden die vroege portretten met hun ijzige blikken en waterige gezichten nog aan oude meesters als Hans Memling en Albrecht Dürer of magisch realisten als Pyke Koch en Charley Toorop. Van doorslaggevende invloed was het werk van de Britse schilder Francis Bacon, met wie Freud in 1954 samen exposeerde op de Biënnale van Venetië. Bacons veel lossere manier van schilderen verleidde Freud ertoe zijn fijne manier van werken achter zich te laten. En dus werden de koppen vanaf de jaren zestig opeens met veel weidsere gebaren op het doek gezet.

Na een bezoek aan Haarlem in 1962 was Freud diep onder de indruk van de zwierige schilderstijl van Frans Hals. Van hem keek hij de techniek af, en leerde hij hoe je uitdrukking kon geven aan een gezicht of een lichaamsdeel. Freud hield van grof en eerlijk realisme. Daarom was hij zo’n fan van Rodin, die net als hij altijd naar levend model werkte, en daarom verfoeide hij bijvoorbeeld de glad geschilderde, idealiserende portretten van Leonardo Da Vinci.

Hoewel Freud al tijdens zijn leven succesvoller was dan welke andere kunstenaar ooit – zijn portret van een dikke naakte dame werd in 2008 verkocht voor ruim 33 miljoen dollar, een record voor een werk van een nog levende kunstenaar – bleef hij zijn publiek tot op hoge leeftijd verrassen met nieuw werk. Zo toonde hij op een veelgeprezen overzicht in Venetië in 2005 het toen gloednieuwe doek The Painter Surprised by a Naked Admirer, een voor Freuds doen bijzonder komisch en lichtvoetig zelfportret, waarbij een naaktmodel zich vastklampt aan het been van de schilder op leeftijd.

„Het gevaarlijkste voor een kunstenaar is wanneer hij tevreden zou zijn met zijn eigen werk eenvoudigweg omdat het zijn eigen werk is”, aldus Freud in een van zijn schaarse uitspraken. „Je moet willen dat ieder schilderij beter wordt dan zijn voorgangers. Wat heeft het anders voor zin?” En: „Het is altijd een stimulerende gedachte dat dit het laatste schilderij zou kunnen zijn.”

Sandra Smallenburg