Uithuilen bij Alain Daniel in de bezemwagen

De bezemwagen rijdt sinds 1910 in de Tour. In de Alpen vertelt chauffeur Daniel over zijn werk achterin het peloton. „Alles houdt op als je de Tour verlaat.”

Hij is de meest gevreesde man van het peloton. „Als wielrenners mij zien, krijgen ze het benauwd”, zegt hij zelf. Alain Daniel is de chauffeur van de bezemwagen in de Tour de France.

De namen van afgestapte renners pronken als jachttrofeeën op de zonneklep van zijn personenbusje. Wout Poels, Amets Txurruka en David Zabriskie – zo staat op de stickers die normaal gesproken aan rugnummers vastzitten. Daniel heeft ze ingenomen, net als de rugnummers.

„De bergen, de bergen”, mompelt de chauffeur tijdens de etappe als de Tourkaravaan de eerste beklimming nadert. In de verte, aan de voet van de Col Agnel, cirkelen de tv-helikopters boven het peloton. Daniel heeft na vijftig kilometer nog geen renner gezien, er liggen lege bidons in de berm. Maar met drie Alpencols hoger dan tweeduizend meter kan het wel eens druk worden.

Zes keer eerder reed Alain Daniel de Tour in la voiture balai. Magnus Bakstedt, oud-winnaar van Parijs-Roubaix, zat huilend bij hem op de achterbank. „Dat is een enorme kerel.” Bradley McGee zweeg de hele rit. „Dat begrijp ik wel. Alles houdt op als je de Tour verlaat.”

Daniel doet er alles aan renners in koers te houden, zegt hij. David Millar reed ooit 160 kilometer voor zijn bezemwagen uit. „Hij at niet, dronk niet. Dat is voorbij, dacht ik.” Nadat de Schotse renner toch wat voedsel binnenkreeg, herstelde hij. Daniel hield de eenzame Millar gezelschap en zorgde ervoor dat hij de tijdlimiet haalde. „De volgende dag gaf hij mij zijn shirt cadeau.” Aan de gevallen Jens Voigt leende Daniel de racefiets die in zijn achterbak staat. De fiets heeft nog ouderwetse toeclips in plaats van klikpedalen. „Hij heeft er zestien kilometer op gereden, haalde de finish en later Parijs.”

De bezemwagen rijdt sinds 1910 in de Tour de France. Oprichter Henri Desgrange voerde de auto in toen de Tour voor het eerst de Pyreneeën in ging. Niet om de renners te helpen, maar te controleren. De eerste Tourrenners stapten regelmatig op de trein of sneden een stuk af.

Vandaag hebben Daniel en arbiter Patrick Saint-Martin ook de opdracht gekregen op te letten. In de Tour zijn er geruchten over Mark Cavendish, de leider in het sprintklassement. De Brit zou zich in de bergen vasthouden aan de auto van zijn ploegleider. „Een valsspeler mag niet in de groene trui over de Champs-Elysées rijden”, zeggen de twee.

Halverwege de Col Agnel wijst Alain Daniel omhoog. Een paar haarspeldbochten hoger kruipen de eerste ‘afvallers’ uit het peloton langzaam omhoog. Onder de top raakt een renner verder in moeilijkheden. „Hij zit al achter de auto’s.” Het is rugnummer 162, de Italiaan Leonardo Bertagnolli van Lampre. „Dat wordt niet makkelijk, mijn vriend”, fluistert de bestuurder alvast.

Daniel heeft gelijk. In de afdaling komt Bertagnolli niet dichter bij zijn collega’s. In het dal kijkt de renner om en ziet hij de motorkap van de bezemwagen vlak achter zich. De Italiaan zet nog even aan, maar is uitgeput. Hij stapt tweehonderd meter verder van zijn fiets.   Arbiter Saint-Martin scheurt de rugnummers van zijn shirt en onder luid applaus van het publiek stapt de Italiaan vervolgens in de bezemwagen. „162 abandon”, meldt Daniel aan Radio Tour. Het is de derde keer dat een renner in deze Tour in de bezemwagen stapt. De meesten leveren hun rugnummers in en stappen in de auto van hun ploegleider.

In de bezemwagen blijkt dat Bertagnolli een paar woordjes fiets-Frans spreekt. Hij is niet geblesseerd, maar gewoon „heel moe”. Zijn tweede Tour was „heel zwaar”. In de bochtige afdaling van de Col d’Izoard, waar Daniel met tachtig kilometer per uur naar beneden scheurt om het voortrazende peloton bij te houden, zegt de lijkbleke Bertagnolli plotseling: „ziek”. Na een half uurtje in de bezemwagen is hij er slechter aan toe dan toen hij nog op zijn fiets zat. De renner mag voorin zitten en kijkt zo de rest van de etappe tegen zijn eigen rugnummer aan. Dat was al tegen het dashboard geplakt.

Op de Galibier, de laatste beklimming van de dag, rijdt de bezemwagen weer dichtbij de laatste renners. Het is de ‘bus’, een groep achterblijvers die samen de bergen over is gekomen. De tachtig renners komen over tijd binnen, maar omdat het er zoveel zijn krijgen ze compensatie van de Tourdirectie. „Het was hier anders ook wel vol geworden ”, lacht Daniel achter zijn stuur.