Toen Sindbad pas 103 was

Dezso Kosztolányi: De avonturen van Kornél Esti. Vertaald uit het Hongaars door Mari Alföldy. Van Gennep, 224 blz. € 19,90

Gyula Krúdy: Sindbads droom. Vertaald uit het Hongaars door Anikó Daróczi en Ellen Hennink. Van Gennep, 301 blz. € 19,90

Kornél Esti is een icoon in Hongarije; tot de dag van vandaag verwijst menig schrijver naar dit guitige alter ego van zijn bedenker, Dezso Kosztolányi (1885-1936). Péter Esterházy, bijvoorbeeld, speelt in zijn nieuwste (nog niet in het Nederlands vertaalde) verhalenbundel honderden bladzijden lang een geestig spel met het personage, maar ook een popmuziekband draagt zijn naam.

Kornél Esti is een schelm die iemand zonder scrupules in de maling neemt, maar ook een vriend met een luisterend oor, een man met medegevoel, mededogen zelfs, die de absurditeit van het leven met ongedwongen vanzelfsprekendheid aanschouwt.

De avonturen van Kornél Esti, met zeventien verhalen waarin Esti in de eerste of de derde persoon voorkomt, is een vervolg op de eerste Esti-verhalen, De bekentenissen van Kornél Esti, in 1933 door Kosztolányi zelf gebundeld. Nagenoeg alle verhalen met Esti verschenen in verschillende bladen. Kranten en tijdschriften waren een goede bron van inkomsten voor auteurs als Kosztolányi, Sándor Márai en Gyula Krúdy.

Zij schiepen een nieuw genre, het columnverhaal: een verhaal met een beperkte omvang, fictie, niet verstopt in een literair katern, maar tussen het nieuws of de faits divers, alsof ook dat allemaal in werkelijkheid gebeurd was.

Postuum

De Esti-verhalen van deze net verschenen bundel zijn postuum, in 1936, in boekvorm verschenen en voor de Nederlandse uitgave aangevuld met vijftien losse verhalen, verschillend in lengte, die niet over Esti gaan, maar er qua sfeer uitstekend bij passen. Zoals ‘De krans’, over het geluk dat een oplichter teweegbrengt door een maandloon af te troggelen van een dienstmeid met het valse nieuws dat haar vader gestorven is. Of een ander ‘geluk’, (maar niet heus) alweer van een dienstmeid, die met het invullen van een kruiswoordpuzzel een vakantie wint. Op nog geen tien pagina’s krijgen we een analyse van twee hermetisch van elkaar afgezonderde werelden, en toch geen cynisch einde, maar bescheiden, milde hoop.

Net zo’n icoon is Sindbad, de zeeman, die rechtstreeks uit de sprookjes van Duizend-en-één-nacht is overgelopen naar het oeuvre van Gyula Krúdy (1878-1933). Kosztolányi moet goed hebben gekeken hoe Krúdy losstaande verhalen aan elkaar rijgt door een vast personage op te voeren, dat verschillende gedaantes aanneemt tot er uiteindelijk een vaag en beweeglijk, maar toch herkenbaar spiegelbeeld van zijn schepper opdoemt.

Krúdy, hoewel maar zeven jaar ouder dan Kosztolányi, lijkt voor de lezer van vandaag een eeuwigheid ouder, en zo ook zijn alter ego, Sindbad. Dat komt door de situering van de verhalen – vaak bij de landadel, de steeds armer wordende gentry, op het stoffige of besneeuwde platteland, maar ook door de wijze waarop hij de tijd hanteert. Sindbad zweeft in een ongrijpbaar verleden en heeft onnoemelijk veel beleefd. Het decor van het sprookje haalt de vertellingen uit de realiteit, het biedt altijd verleden, nooit toekomst, en het heft de reële tijd op: ‘Zeer lang geleden, toen Sindbad maar honderddrie jaar was…’, of: ‘Op een herfstdag verliet Sindbad de crypte waarin hij uit vrije wil plaats had genomen nadat hij een einde aan zijn leven maakte.’

Sindbad is een vrouwenversierder die aan, of na, het einde van zijn leven zijn geliefden nogmaals opzoekt om zijn hartstocht van weleer opnieuw te beleven. In de verhalen worden niet zozeer gebeurtenissen opgetekend, eerder stemmingen, verlangens, smaken, hooguit het proces van beslissingen. Vaak lopen de opnieuw beleefde liefdes slecht af: dood, zelfmoord, rood bloed in de witte sneeuw. Zeer lyrisch proza, waarin erotiek en dood gevaarlijk dicht in elkaars buurt komen.

Spierkracht

Als geen ander kende Krúdy de menselijke driften als levensbepalende drijfveren. Hij trouwde op zijn 21ste met een zeven jaar oudere onderwijzeres, die onder de naam Satanella zelf ook publiceerde. Hij kreeg met haar vier kinderen maar scheidde en hertrouwde met de dochter van zijn maîtresse. Krúdy stond bekend om zijn enorme spierkracht, zijn niet te stillen honger en dorst en zijn amoureuze escapades.

Krúdy’s stijl is moeilijk in een stroming te plaatsen, hij vormde een stroming in zijn eentje: romantiek, realisme, impressionisme hebben sporen nagelaten, maar ook de esoterie en de nieuwste inzichten van de psychoanalyse kwamen hem van pas. Door de subjectieve, rekbare, stroperige tijd in veel van zijn werken – vaak avond en nacht, de zon zou immers de tijd doen voortgaan – wordt hij vaak met Proust vergeleken.

Ondanks zijn enorme productiviteit balanceerde Krúdy door zijn uitgelaten levensstijl vaak op de rand van de financiële afgrond. In de revoluties volgend op de Eerste Wereldoorlog schuwde hij een publieke rol niet – hij geloofde in een nieuwe maatschappij en in zijn publicaties hamerde hij op de verantwoordelijkheid van de schrijver.

Vanaf 1920 kreeg hij daardoor steeds meer moeite zijn werk gepubliceerd te krijgen. In de vroege jaren dertig schoot Kosztolányi, toen lid van de Internationale PEN-club, hem te hulp. Krúdy kreeg in 1930 de Baumgartenprijs, en twee jaar later een aanzienlijk bedrag dat de Britse krantenmagnaat Lord Rothermere aan Kosztolányi had gegeven om naar eigen inzicht onder noodlijdende auteurs uit te delen.

Toch stierf hij in 1933 in armoede, alleen maar schulden achterlatend.