To do list: uurtje kloof dichten tussen burger en politiek

Het reces is het moment om de kloof tussen het Binnenhof en het land te dichten.

Sommige Kamerleden gaan het land in, maar de meesten vieren gewoon vakantie.

Den Haag. - In de laatste minuten voor het huidige reces van de Tweede Kamer begint, zorgt CDA-Kamerlid Kathleen Ferrier er nog even voor dat over dat stevige zomerverlof geen misverstanden kunnen ontstaan. ‘Nu speech voorzitter en dan: reces!!!’, luidt het berichtje dat ze drie weken geleden per Twitter de wereld instuurt, om 2.13 uur ’s nachts. Waarop ze meteen elk mogelijk misverstand voor wil zijn: „Maar... reces is geen vakantie!”

En inderdaad, voor Kathleen Ferrier begon het zomerreces van de Tweede Kamer, dat in totaal negen weken duurt, niet met vakantie. Meteen na het weekend vertrok de CDA-woordvoerder ontwikkelingssamenwerking voor een werkbezoek van vijf dagen naar Belgrado. Later gaat ze nog naar Warschau en naar Mozambique en Kenia.

Negen weken vakantie (pardon: reces), drie korte reizen – daarmee is Kathleen Ferrier één van de drukste volksvertegenwoordigers deze zomer. De meeste parlementariërs geven in de praktijk maar beperkt invulling aan het idee dat het reces gebruikt dient te worden om de band met het land te versterken. Dit jaar hebben de Tweede Kamerleden in totaal 15 recesweken.

Deze krant vroeg naar de bezigheden van alle 150 Kamerleden tijdens het zomerreces. In de antwoorden van de 90 die reageerden, vallen vier zaken op.

Eén: gemiddeld legt een Kamerlid deze zomer 2,1 werkbezoeken af, die meestal een paar uur duren.

Twee: het buitenland is populair. Van de 187 werkbezoeken gaan er 30 over de grens.

Drie: er zijn geen harde regels verbonden aan de activiteiten tijdens het reces en politieke partijen hebben geen beleid waar hun Kamerleden aan moeten voldoen.

Vier: niemand weet van al zijn collega’s waarmee zij bezig zijn – of zelfs waar ze daadwerkelijk zijn.

Kamerleden geven verschillend invulling aan het reces. Van bezoekjes aan Staatsbosbeheer tot een herdenkingsbijeenkomst voor het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië. Een enkeling zegt daarnaast een boek te schrijven, telefoongesprekken te voeren of partijbijeenkomsten in hun eigen regio bij te wonen.

‘Natuurlijk is er tijd voor de broodnodige vakantie’, schrijft het parlement op de eigen website. ‘Maar het werk gaat ook gewoon door.’ Werkbezoeken zijn daarvoor het aangewezen middel, zo kunnen Kamerleden „kennis en ervaring opdoen”, om die „te gebruiken in debatten of om nieuwe ideeën of wetsvoorstellen te ontwikkelen”.

Werkbezoeken zijn niet verplicht en een relatief jong fenomeen. In de jaren vijftig waren dit soort bezoekjes niet nodig, omdat de meeste Kamerleden zelf een baan naast hun werk in Den Haag hadden. Het contact met ‘de burger’ hadden ze automatisch, die burger waren ze namelijk zelf.

In de loop van de jaren zestig professionaliseerde het Kamerlidmaatschap, nam het werk toe en steeg het salaris naar dat van een voltijdbaan. De meeste volksvertegenwoordigers concentreerden zich daardoor meer en meer op de vierkante kilometer van het Binnenhof. Daar ging de band met de burger. De traditionele verbondenheid die partijen hadden met instituten zoals kerk en vakbond werden ook steeds zwakker.

In de jaren tachtig en negentig probeerden parlementariërs die band met de achterban al te herstellen. Echt fanatiek werden ze na de moord op Pim Fortuyn in 2002. De kloof tussen burger en politicus werd pijnlijk zichtbaar. „In reactie daarop renden Kamerleden vanuit die Haagse kaasstolp de koffiehuizen in”, zegt oud-Kamerlid Jan Schinkelshoek (CDA). Schinkelshoek was als Kamerprominent in 2009 één van opstellers van een rapport over ‘parlementaire zelfreflectie’. „De kernvraag bij werkbezoeken is natuurlijk: hoe ben je een goede volksvertegenwoordiger? Daar hoort bij dat je voldoende op de hoogte bent van wat er in het land speelt.”

Dat oorspronkelijke doel verwatert soms. Zoals het kabinet de zomer gebruikt om met proefballonnetjes de media te halen, zo zetten sommige Kamerleden hun werkbezoeken in als pr-instrument. ‘Kijk eens hoe goed ik het land wil leren kennen.’ Of, direct richting de eigen achterban: ‘Zie mij eens jullie niet vergeten zijn.’ Neem bijvoorbeeld Ineke van Gent van GroenLinks. Zij gaat in Leeuwarden en Groningen langs bij „de noordelijke lijnen van Arriva”, het vervoersbedrijf, en ze trekt een paar uur uit voor „werkbezoek aan een aantal taxiondernemingen”, ook weer in Groningen. Waar ze woont.

Bij de SGP zien ze vakantie als vakantie, zegt de woordvoerder van de tweemansfractie. „We hebben een kleine fractie en zetten daarmee elke werkdag ons beste beentje voor. Om nou voor een plaatje in de krant in de zomer naast een conducteur te gaan staan en dan te pretenderen dat je de hele NS doorziet... Nee.”

Een uur later belt de woordvoerder terug. Vergissing. SGP-Kamerleden Kees van der Staaij en Elbert Dijkgraaf hebben tóch werkbezoeken in hun agenda staan. De één doet „iets met de politie”, de ander gaat onder andere naar LTO Nederland, een boerenbelangengroep.

Bij de Partij voor de Dieren doet fractievoorzitter Marianne Thieme niets deze zomer, zo laat de partijwoordvoerder weten. Haar collega Esther Ouwehand gaat misschien wel, maar dan „ad hoc, als het haar uitkomt”.

Ook de grotere fracties springen pragmatisch om met werken tijdens het reces. Helma Neppérus (VVD) houdt het bijvoorbeeld bij „lekker in Nederland fietsen”. Verder is ze „scheidsrechter op het wereldkampioenschap roeien onder de 23 jaar, in Amsterdam”.

De koningin van de werkbezoeken is Esmé Wiegman van de ChristenUnie. Zij gaat in ieder geval twaalf keer het land in. Sommige van haar collega’s zullen al moe worden van het idee van al haar zomerse bezigheden. Wiegman – getrouwd, haar drie zoons gaan soms mee – gaat onder andere op pad met een verpleegkundige, bezoekt de TU Delft en ze loopt een ochtend mee met Buurtzorg. Wiegman gaat zelfs een week mee als begeleider op een kamp voor gehandicapte volwassenen. Juist níét om met haar hoofd in de krant te komen, zegt ze. „Vorig jaar ben ik ook mee op kamp geweest. Halverwege de week vroeg een deelnemer, goh, Esmé, wat doe jij eigenlijk? Toen ik vertelde dat ik in de Tweede Kamer zit, begon hij hard te lachen.”

Een andere fanatiekeling is Linda Voortman van GroenLinks. Zij legt deze zomer minstens tien werkbezoeken af, voornamelijk in de zorg. Ze zegt dat ze de informatie die ze van mensen in het land krijgt als munitie tijdens debatten kan gebruiken. „Als in stukken van het kabinet feiten niet kloppen, heb ik concrete voorbeelden uit de praktijk die het ongelijk van de minister bewijzen”, zegt Voortman.

Kijken de fanatiekelingen niet met een scheef oog naar degenen die het, subtiel gezegd, rustiger aan doen? Voortman: „Binnen de fractie valt dat moeilijk te vergelijken. Iemand met Buitenlandse Zaken in zijn portefeuille kan minder gemakkelijk op werkbezoek. Maar ik vind dat ik het zelf goed doe, zo.”