Rockgitaristen en hun knopjes

Het uur van de wolf: It Might Get LoudNed. 3, 23.30-01.10 uur

Jack White zit op een afgebladderde veranda, voor hem een landje met koeien. Hij pakt een eind hout, spijkert er een snaar op en schuift er een colaflesje onder. Ziedaar: een gitaar.

In de muziekdocumentaire It Might Get Loud uit 2008 (vanavond herhaald in Het uur van de wolf) brengt Davis Guggenheim drie generaties rockgitaristen samen: Jimmy Page (Led Zeppelin), The Edge (U2) en Jack White (White Stripes). Ze jammen samen, kijken naar elkaars trucs en knopjes, en tonen dat er in zestig jaar rockmuziek niet zo gek veel is veranderd.

De drie staan voor verschillende denkstromingen over de elektrische gitaar: The Edge, met zijn melodieuze gekwinkeleer in bakken echo, stelt: „Vooruitgang in techniek baart creatieve vooruitgang.” Jack White, met zijn primitieve, vuile bluesstijl, liet met zijn verandascène al zien waar hij staat: „Technische vooruitgang maakt het makkelijker, je bent sneller thuis. Maar het maakt je niet creatiever. Gemak is een ziekte.”

Een bekend standpunt, maar zijn eind hout ging pas zingen toen White hem aansloot op een elektrische versterker. De invloed van Edison kun je niet helemaal wegcijferen.

Page is de meest invloedrijke en complete gitarist van de drie; stevig geworteld in de blues en de folk, maar ook een man die de excessen van de hardrock instigeerde. Heerlijk om hem eind jaren vijftig als tiener in een skiffleband Mama don't allow te zien spelen.

Wilfred Takken