Laf gezelschap

Andy Schleck heeft de Tour 2011 gered. Zowel in sportief als in esthetisch opzicht. Als een engel ging hij over de Galibier. De jukbeenderen dansend op de cadans van zijn schriele benen. En ook met een gezicht zoals het gezicht van een engel hoort te zijn: glans van marmer. Vooral geen appelwangen.

Zijn solo die begon op de Izoard droeg de signatuur van oude, gechevroneerde klimmers: Gaul, Bahomontes, Bobet, Van Impe. Alleen het grote tijdsverschil ontbrak. Het was een schaarse sportieve hoogmis in een gebarricadeerde Tour. Vier dagen voor het einde van het grootse evenement was Andy de eerste en enige der favorieten die op avontuur ging. Dan mag je spreken van een laf gezelschap.

De Nederlandse deelnemers schittereden in moed en zelfopoffering, maar klasse ontbrak. Erg stuurvast waren ze ook niet, al werd Johnny Hoogerland door pech getroffen. Hij is de negatieve held van deze editie van La Grande Boucle. De schlemiel van dienst die straks op de criteriums door het volk zal worden gedragen.

Ellende is de vlag.

Voor Robert Gesink was deze Tour een kruisweg. Het hoofd en de klimmersbenen waren van elkaar losgekoppeld. Op de fiets zat een soort infrawezen dat ver buiten de koers rond zweefde. Als de Rabo-ploeg een vaderhuis was geweest hadden ze Gesink naar huis gestuurd. Het harken deed te veel pijn aan de ogen. De afgang was te radicaal voor een jongen die alleen nog kon demarreren in muizenissen.

Jaar na jaar verdwijnt de Rabo-ploeg met een troostprijs uit de Ronde. Of er wordt te hoog ingezet op de verkeerde renners, of de ploeg mist de wil om te doden en te scoren. In beide gevallen rijzen vragen over het professionalisme van de leiding. Reeds in de voorbereidingswedstrijden was het voor kenners duidelijk dat Gesink niet de hoge verwachtingen zou inlossen. Eigenlijk heeft hij dit jaar maar één hoogtepunt gekend: de Ronde van Oman. Toen was hij van een andere planeet. Dat was in januari.

Talloos waren de incidenten, maar het bleef een Tour zonder drama. Zelfs op het moment dat Alberto Contador door het peloton werd achtergelaten op de Galibier scheurden de harten niet van spijt. Alberto reed al langer ontredderd rond. Niet omdat hij de zware Giro in de benen had, het hoofd stond niet naar de koers. Waarom nog diepgaan als de zege je straks toch door het CAS wordt ontnomen? De UCI heeft de Spanjaard een jaar lang laten bungelen en daarmee een misdaad tegen de menselijkheid begaan. Alberto is deze Tour ontstolen door hooghartige klerken.

Het is een anti-Tour geworden. Met de hofnar Thomas Voeckler dagenlang in het geel en de ordinaire stoemper Cadel Evans als vermoedelijke eindwinnaar. Veldrijders zijn grotere stilisten dan Evans. Zij dragen liefde voor hun vak uit, bij Cadel zie je vooral domme geldzucht. Buiten de koers ook nog hautain en egocentrisch. Een hork.

Wie aan deze Tour veel plezier heeft beleefd, was Mart Smeets. Los en gemoedelijk vulde hij zijn laatste Avondetappe. Ik weet niet of het weemoed was die hem verinnerlijkte, maar hij koloniseerde de gesprekken niet langer. De vleugels van de egotrip waren geknipt. Als een dienaar leidde hij de debatten. Gênant was de oproep van een gast tot de NOS om door te gaan met Mart en met de Avondetappe, maar ik had niet de indruk dat het een ingefluisterd een-tweetje was.

Een leven zonder het heerlijke parfum van masseerolie – Mart krijgt het nog heel zwaar.