Kom, we gaan de boel ontwrichten

De ouders deden aan partnerruil, de kinderen radicaliseerden – een Duitse en een Italiaanse auteur vangen de opwinding en de vertwijfeling van een jeugd die zich afkeert van het normale.

Stefan Kiesbye: Een meisje van hiernaast. Vert. Gerrit Bussink. De Arbeiderspers, 145 blz. €14,95

Giorgio Vasta: De materiële tijd. Vert. Marieke van Laake. Wereldbibliotheek, 319 blz. €22,50

Schrijvers stellen de wereld vaak mooier voor dan ze is. Met reden: als de lezer lelijkheid wil, hoeft hij maar om zich heen te kijken. Maar aan die esthetisering doet de Duitse auteur Stefan Kiesbye (1966) niet mee. Het stadje waar zijn debuutroman Een meisje van hiernaast zich afspeelt, wordt geteisterd door stank en lawaai van fabrieken, en ’s nachts is de hemel er niet donker, maar paars. Er stroomt een beek: ‘Het water dampt en glanst groenig.’ Bij de kruidenier kruipen vliegen over de kaas en het vlees.

Dat zijn de beelden die Kiesbye schetst. Even onaantrekkelijk als het decor zijn de personages. Moritz, de hoofdpersoon van een jaar of twaalf, is geen jongen die je in je hart sluit. Wanneer hij op school wordt mishandeld, neemt hij zo ongenadig wraak dat zijn plaaggeest voor het leven getekend is.

Moritz en zijn vrienden fietsen dag en nacht rond en noemen zich ‘de Dassen’. Ze zijn verklaarde vijanden van ‘de Vossen’, die een paar jaar ouder zijn en al over brommers beschikken. Van de volwassenen in het verhaal kun je zeggen dat ze er een losse seksuele moraal op na houden – het zal ermee te maken hebben dat het 1979 is. Moritz’ ouders doen aan partnerruil, en wanneer de jongen in bad gaat, helpt zijn moeder hem graag een handje door de onderste regionen te wassen, met de opmerking: ‘Als je er niet aan zit, wordt hij niet groot.’

Bij toeval stuiten de Dassen op een meisje dat door jarenlange eenzame opsluiting niet kan spreken – een soort Caspar Hauser. Dat de jongens hun ontdekking verzwijgen en het meisje niet aan de autoriteiten overdragen maar zelf met veel moeite gaan verzorgen, is psychologisch gezien uiterst onwaarschijnlijk. De auteur lijkt te willen zeggen dat de jongens doen wat hun ouders hebben nagelaten, namelijk verantwoordelijkheid nemen en grenzen stellen.

Dit onwaarschijnlijke element is de grote zwakte in een verder knap gecomponeerd verhaal. De Vossen weten de Dassen het meisje te ontfutselen, en de roman eindigt met indrukwekkende martelpraktijken over en weer. In Een meisje van hiernaast is de wereld lelijk en wreed, maar het verteltalent van Stefan Kiesbye geeft er een eigen bekoring aan.

De auteur heeft gekozen voor een ik-verteller en voor de tegenwoordige tijd. Dat heeft als voordeel dat het direct is, op de man af, maar als nadeel dat het diepzinnige gedachten en bloemrijke taal uitsluit, omdat Moritz nu eenmaal niet ouder dan twaalf is.

Het fascinerende van De materiële tijd van de Italiaanse debutant Giorgio Vasta (1970) is juist dat hij de beperking die de leeftijd van de verteller aan het taalgebruik stelt, niet heeft willen accepteren. Zijn elfjarige hoofdpersoon Nimbus formuleert zo ingewikkeld dat het soms is alsof je Kant zit te lezen. Vasta pakt het slim aan, in de eerste plaats door geen enkele verklaring voor deze ongerijmdheid te geven, en in de tweede plaats door de taal tot thema te verheffen. Nimbus en zijn twee vrienden, wonend in Palermo, zijn namelijk aanhangers van de Rode Brigades, en het is de taal van de extremisten die hen verleidt. Lange, complexe, hoogdravende zinnen. ‘Zij zijn de enigen in Italië die zo schrijven.’

Het is 1978, de Rode Brigades hebben politicus Aldo Moro ontvoerd en heel Italië houdt de adem in. De communiqués van de terroristen hebben de aantrekkingskracht van het eigen gelijk. ‘De brigadisten zijn altijd hartstochtelijk, altijd apocalyptisch. Ze schrijven „actieve strijd”, ze schrijven „de structuren ontwrichten”. Ze zijn apodictisch.’

Aangestoken door die taal radicaliseren Nimbus en zijn vrienden binnen enkele maanden. Tijdens het wereldkampioenschap voetbal in Argentinië zijn ze zelfs tégen het Italiaanse nationale team. Scarmiglia, de ideoloog van het drietal, zegt: ‘Ons team is het Nederlandse.’ Het Nederlands elftal staat voor het opzijzetten van de eigen identiteit, ten gunste van het collectief. Nederland verslaat Italië met 2-1.

De drie elfjarigen vormen een terroristische cel. Nadat ze zich voor de strijd geoefend hebben, gaan ze over tot het plegen van vernielingen, uiteindelijk tot ontvoering en moord. Tot bijna halverwege de roman weet Vasta te overtuigen, maar dan begaat hij een inconsequentie die de illusie verbreekt. Hij laat de jongens een eigen taal bedenken, een lichaamstaal. Een bekende danshouding van John Travolta in Saturday Night Fever betekent bijvoorbeeld ‘onvoorziene omstandigheid’.

Het construeren van een even overbodige als inefficiënte taal op basis van idiote lichaamshoudingen is nu juist het allerlaatste wat deze hyperintelligente jongens, die ironie en alles wat speels is haten, zouden doen. Het is al ongeloofwaardig dat ze die taal onderling gebruiken, maar dat Nimbus wild bewegend met anderen probeert te communiceren, die er uiteraard niets van begrijpen, is ronduit bespottelijk.

Na bladzijde 125 blijft De materiële tijd weliswaar een prikkelende, eigenzinnige roman, maar de schrijver is de controle kwijt: hij legt omstandig uit welk gezinsdrama er achter Nimbus’ extremisme schuilt, stapelt symbool op analogie, en eindigt in een literair pathos waar de Rode Brigades een moord voor zouden doen.