Iedereen kan zich winnaar noemen

Deelname van banken aan het Griekse reddingsplan, de eis van Duitsland en Nederland, kan duurder uitpakken. Premier Rutte zwijgt erover.

In een kamertje bovenin het Brusselse vergadergebouw Justus Lipsius namen gistermiddag een paar bankiers plaats. Josef Ackermann was daar, topman van Deutsche Bank. Ook Baudouin Prot van BNP Paribas zat er. Ze kregen koffie en broodjes en ze zullen zich verbaasd hebben over het scharrige interieur van Europa’s publieke gebouwen.

Tot ’s avonds laat wachtten zij, als ieder ander, tot de regeringsleiders van eurolanden een nieuw reddingsplan voor Griekenland in elkaar hadden getimmerd. Dat gebeurde in de immense vergaderzaal van het gebouw, waar zij niet bij mochten. Maar aangezien Europese banken gaan ‘participeren’ om de Griekse schuldenberg te verlichten, hadden de bankiers een belangrijke stem in het kapittel. „Voor het eerst sinds het begin van de crisis kunnen we zeggen dat politici en markten samenkomen”, vatte voorzitter van de Europese Commissie Barroso deze uitzonderlijke situatie samen.

Het belangrijkste element van het akkoord van gisteren was het besluit om het noodfonds EFSF meer macht te geven bij het bestrijden van de schuldencrisis. Het fonds, dat nu alleen bilaterale garanties van eurolanden mag omzetten in commerciële leningen aan Ierland en Portugal, mag straks staatsobligaties opkopen, preventief leningen verstrekken en banken overeind houden.

Dit is een keerpunt in de aanpak van de crisis. In plaats van Griekenland meer wurgende leningen te geven om rampspoed op korte termijn te voorkomen, kiest de eurozone voor een lange-termijnoplossing: schuldenreductie, lage rentes, langere terugbetalingstermijnen. Weg is het gehamer op bezuinigingen, de mantra dat ‘wie zijn billen brandt, op de blaren moet zitten’. Door deze nieuwe aanpak krijgt Griekenland, volgens premier Mark Rutte, „de gelegenheid zich aan zijn eigen velletje op te trekken”.

Maar voordat Nederland en Duitsland – de protagonisten van het oude, falende beleid – zwichtten voor deze koerswijziging waar andere eurolanden en de Europese Centrale Bank (ECB) al maanden op aandringen, stelden ze één pertinente tegeneis: banken moeten meebetalen.

Die eis werd ingewilligd. Anders was er geen deal geweest. Dit was, in goede Europese traditie, een top waarbij iedereen geeft en neemt. Naderhand konden alle deelnemers zeggen dat zij gewonnen hadden. Om te begrijpen wat er precies besloten was, moest je luisteren naar iedereen die had mee-onderhandeld. Iedereen droeg zijn eigen puzzelstukje aan. Oók de banken.

De Franse president Nicolas Sarkozy rende weer als eerste de vergadering uit voor een persconferentie. Hij benadrukte de nieuwe volmachten van het noodfonds. Hij noemde dit „het begin van een soort Europees Monetair Fonds”. Premier Rutte zweeg hierover. Hij legde het accent op de bijdrage van de financiële sector: banken die Griekse schuld hebben, krijgen een haircut (korting) van 21 procent – oplopend „tot 106 miljard in 2020”.

Een van de redenen dat de vergadering die rond lunchtijd begon ongeveer acht uur duurde, was dat Rutte een hard bedrag over die bankenbijdrage in de slottekst wilde. Allerlei bedragen vlogen over tafel, maar niet genoeg om het Haagse parlement te plezieren. Uiteindelijk bleek dat Rutte appels met peren zat te vergelijken. Men legde hem uit dat er netto- en brutobedragen zijn. Uiteindelijk bleken ze het toch over hetzelfde bedrag te hebben. Nu staat in de tekst dat de „netto bijdrage van de privésector geschat wordt op 37 miljard”, met een voetnoot uitleg erbij. Volgens een hoge Europese ambtenaar is „dit een groot probleem in de crisis: regeringsleiders begrijpen weinig van de financiële materie waarover ze beslissen. Op één of twee na.”

Zo iemand is ECB-voorzitter Jean-Claude Trichet. Hij roept al maanden dat je vraagt om ellende als je banken laat meebetalen. Dat veroorzaakt onrust op de markten, wat de hele eurozone kan besmetten. Regeringsleiders, vindt hij, kunnen dit niet managen. Banken een haircut geven is een vorm van schuldreductie voor Griekenland. Kredietbureaus waarschuwen dat ze, als dat gebeurt, Griekse schuld afwaarderen.

Trichet accepteert die schuld nu als onderpand voor goedkoop krediet aan Griekse banken, die op de markten niets meer kunnen lenen. Trichet dreigde dat hij dat onderpand bij een afwaardering gaat weigeren. Griekse banken zouden dan meteen instorten. Hij eiste dat eurolanden, als ze per se banken willen betrekken bij een plan voor Griekenland, dit puin zelf moeten ruimen.

Dat deden zij. Om de negatieve gevolgen van een tijdelijk faillissement van Griekenland na zo’n banken-haircut (wellicht maar één dag of week) op te vangen, beloven hoofdsteden garanties aan de ECB, garanties aan Griekse banken en eventuele herkapitalisatie van hun eigen banken. Rutte wilde vragen hierover niet beantwoorden: „Dit is gevoelig.”

Volgens een betrokkene die anoniem wil blijven zat er niets anders op. „Het noodfonds moest een grotere rol krijgen, anders gaat de euro eraan. Dus moesten de twee tegenstanders hiervan, Duitsland en Nederland, hún zin krijgen over bankparticipatie. Maar dat kon alleen als ze daar zelf garant voor gaan staan, anders zou de ECB de stop eruit trekken. Het paradoxale gevolg is dat banken gaan meebetalen – maar dat dit wegens alle bijkomende overheidsgaranties weleens duurder kan uitpakken voor de belastingbetaler dan als de banken niet zouden meebetalen.”

Dit verklaart de aanwezigheid van de bankiers in dat zijkamertje in Brussel. Wekenlang hebben zij achter de schermen mee-onderhandeld met hoge ambtenaren en ministers, van Parijs tot Rome. Zij hebben deals afgeschoten, deals gepusht. Dat zij gisteren toegangspasjes kregen, toont aan dat hun macht over de politici enorm is.