De ontdekker van folk, blues en jazz

Jaren hield de FBI hem in de gaten. Wist die dienst veel dat Alan Lomax bezig was het fundament te leggen onder het gros van de hedendaagse popmuziek?

John Szwed: The Man Who Recorded the World.A Biography of Alan Lomax.Heinemann, 448 blz. € 27,-

Hoewel folklorist Alan Lomax niets gevaarlijkers deed dan met een bandrecorder tienduizenden volksliedjes opnemen op het Amerikaanse platteland, vond de FBI dit verdacht genoeg om hem decennialang te volgen. Die blanke reus met zijn belangstelling voor zwarte landarbeiders; dat kon nooit goed zijn. Dat moest wel een communistische agitator zijn.

Dat begon al in de jaren dertig. In juni 1939 werd Lomax uitgenodigd om met zijn volkszangers op te treden op het Witte Huis, een avond georganiseerd door first lady Eleanor Roosevelt voor de Britse koning George VI en koningin Elisabeth. In het Witte Huis botsten steeds weer heren tegen Lomax op, waarvoor ze zich vervolgens uitvoerig verontschuldigden. ‘Een beleefd stel, maar wel tamelijk onhandig’’, dacht Lomax nog, totdat hij op de trap werd klemgezet tussen twee mannen die hem duidelijk betastten. Nu begreep hij: dit waren veiligheidsmensen die hem onopvallend wilden fouilleren. Lomax: ‘Een vrouw die zich voordeed als mijn tante had gezegd dat haar gekke neefje het Witte Huis kwam opblazen.’

Vanaf de jaren dertig trok Lomax met zijn vader John Lomax door het Zuiden van de Verenigde Staten om volksmuziek op te nemen. Zoon Lomax ontdekte en herontdekte helden van de blues, folk en jazz: Muddy Waters, Lead Belly, Woody Guthrie, Jelly Roll Morton. Hiermee was hij medeveroorzaker van een paar folkrevivals, en legde hij een fundament onder de huidige popmuziek; vooral onder de Americana.

Popmusicus Brian Eno zei later: „Welke lijn je ook trekt door het hele veld van de populaire muziekcultuur, je stuit altijd op Alan Lomax, waarschijnlijk op verschillende plaatsen. Zonder hem zou er waarschijnlijk geen blues explosion zijn geweest, geen R&B-beweging, geen Beatles, geen Stones, geen Velvet Underground. Hij fungeerde als pijpleiding waardoor aan het vruchtbare begin de unieke rijkdom en passie van Afro-Amerikaanse muziek de westerse popmuziek binnenstroomde.”

Het volk

Lomax had de wind mee: hij begon in de jaren dat president Roosevelt met grootse overheidsprojecten de Grote Crisis te lijf ging. Amerika had niet alleen een economische duw nodig, maar ook een morele. Dus zond Roosevelt schrijvers, fotografen en musici het land in, die het beleid moesten uitdragen en de kracht en problemen van het volk moesten vastleggen. ‘Folk’, het leven van de gewone mensen, was in de mode. Lomax liet de Verenigde Staten hun eigen muzikale wortels ontdekken, en liet het land zo cultureel emanciperen van Europa. Hij vond die wortels daar waar niemand nog had gezocht: in de volksmuziek van het platteland, in de muziek van de arme blanke boeren en vroegere slaven in het achtergebleven Zuiden.

De wind mee vanuit Washington was geen garantie voor een hartelijke ontvangst elders. Geregeld belandde Lomax in de gevangenis of werd onder dreiging van geweld de stad uit gejaagd. Toen het klimaat in de jaren vijftig omsloeg en tijdens de communistenjacht van senator Joseph McCarthy alles wat links was staatsgevaarlijk werd geacht, kwam Lomax ook vanuit Washington onder vuur te liggen. Biograaf Szwed maakt veel gebruik van het uitgebreide FBI-dossier over Lomax. In de jaren vijftig vertrok de folklorist zelfs voor jaren naar Europa, op de vlucht voor de heksenjacht.

De biograaf zet Lomax neer als een opvallende man: groot en luid, zeer aanwezig, zwaar Texaans accent, zeer innemend en mensen zeer tégen zich innemend. Lomax geloofde niet in de fly-on-the wall-methode van andere folkloristen en antropologen. Hij was altijd sterk aanwezig bij zijn opnamesessies, in gevangenissen, op de veranda’s en de dorpspleinen, en wist met zijn enthousiasme de informanten tot grote performances op te zwepen.

Szwed heeft zich ook duidelijk laten innemen voor Lomax. In zijn boek is weinig ruimte voor kritiek. Zo doet hij ook niet veel met de beschuldiging van oplichting en diefstal. Lomax liet zich altijd registreren als mede-auteur van de ontdekte composities, waardoor hij deelde in de royalty’s zonder zelf een noot te componeren. Tekenend is het contract dat John en Alan Lomax sloten met blueszanger Lead Belly, nadat ze hem uit een strafkamp hadden gehaald en hem presenteerden aan een academisch publiek in Washington en New York: de Lomaxen kregen de helft van alles wat Lead Belly verdiende. Toen de veroordeelde moordenaar bij John Lomax meer geld eiste, haalde die de sheriff erbij en verbrak de relatie. Richard Wright, Afro-Amerikaans auteur en cafévriend van Lead Belly, noemde dit contract in 1937: ‘Een van de grootste culturele zwendels in de geschiedenis.’

Excuus

Szwed kaart de kwestie van de royalty’s wel aan, maar neemt het op voor Lomax. Volgens hem waren dit soort overeenkomsten normaal in die jaren. Dat is zeker een excuus, maar niet hét excuus.

Verbonden aan deze kritiek is die op Lomax’ paternalisme. Dit laat Szwed helemaal ongenoemd. Dat de Lomaxen ‘hun’ Lead Belly lieten optreden op universiteiten – in streepjespak! – noemde Wright een vorm van ‘culturele kolonisatie’. Lead Belly werd ook ingezet als chauffeur van de Lomaxes: de zwarte artiest aan het stuur, de blanke managers achterin.

Dat staat inderdaad niet zo netjes, maar dat moet je ook in de context van zijn tijd zien. Lomax ontdekte en hielp vaak musici die weinig opleiding genoten en de weg in de vermaaksindustrie niet kenden. Hij was vol bewondering voor de zwarte zangers en ging vriendschappelijk met ze om; voor die racistische tijd was dat al een belangrijke stellingname.

Lomax' paternalisme is niet los te zien van zijn heilige missie: de wereld laten kennismaken met de muziek die hij opgroef. Dat zijn bevlogenheid samenging met enige hoogmoed blijkt wel uit de aantekeningen die hij maakte bij de gevangenisopnames in de jaren dertig: ‘De mensen die voor ons zongen, droegen streepjespakken en werden bewaakt door bewakers met geweren. Ze zongen onder de brandende Texaanse zon; mensen die duidelijk grote problemen hadden. Maar als ze hun mond open deden, kwam een vlam van schoonheid naar buiten. Het geluid was gelijkwaardig aan alles wat ik gehoord had van Beethoven, Brahms of Dvorák. Ik had mijn mensen gevonden, het volk dat ik wilde vertegenwoordigen. De mensen met wie ik wilde zijn.’