Alles is dans, dans is alles

Nieuwe bewegingstaal is het handelsmerk van de Canadese choreograaf André Gingras.

Hij laat dansers schreeuwen, hun voeten likken en copuleren op toneel.

De Canadees André Gingras (44) is artistiek directeur en choreograaf van dansgezelschap Dance Works Rotterdam/André Gingras. Met zijn intense, maatschappijkritische dans wil hij uitdagen, vrijheid vinden, in dans en theater. Dat kan in dans en theater, met het lichaam en met emoties. Overal wordt hij uitgenodigd, voor zijn ‘nieuwe bewegingstaal’. Zijn moderne paringsdans Anatomica#1, is deze zomer te zien op de Parade in Amsterdam.

Wat versta je onder nieuwe bewegingstaal?

„Ik zoek steeds naar nieuwe vormen van bewegen, van communiceren, nieuwe richtingen, ik zoek een nieuwe vrijheid daarin. Daarbij gebruik ik bewegingen van sport, capoeira, free running, maar ook van ziektes. De bewegingstaal van een ziekte als La Tourette bijvoorbeeld, is interessant. Dat probeer ik dan te abstraheren tot een dans.”

Hoe deed je dat?

„Ik heb naar veel films gekeken over mensen met die ziekte, en gepraat met verzorgers. Dan kijk ik hoe La Tou-rette zich manifesteert in het lichaam, de bewegingskwaliteit ervan. Wat kun je ermee doen, wat is de schoonheid ervan? De bewegingen zijn kort en bondig. Mijn eerste solo hierover was meteen een succes, ik was opeens choreograaf. Maar ik was niet bezig met belangrijk zijn, ik wilde mooie dansen maken.”

Je bent een van de jongste artistiek directeuren in Nederland?

„Ja, ik ben nu 44. Maar zo voel ik me niet. Op mijn 27ste dacht ik, nu ben ik volwassen. Ik kwam twee jaar later in Nederland. Daarvoor had ik in New York gewoond. Als je na vijf jaar New York nog niet volwassen bent, dan weet ik het niet, hoor. Ik kreeg een beurs voor een dansschool op mijn 21ste, maar ben langer gebleven. New York was inspirerend. In Toronto studeerde ik Engels en theater, om acteur te worden. Maar ik vond dansen leuker, minder statisch. Ik begon laat, maar kon wel goed bewegen, was atletisch. Ik vond dans poëtischer, abstracter, in dans heb je niet zoveel nodig, je hebt meer vrijheid.”

En je familie?

„Ja, dat was wel even wennen voor ze, een man die gaat dansen. Het zijn allemaal staalwerkers, al mijn vrienden van de middelbare school werkten ook in de staal. Maar mijn moeder zei: je kunt maar beter doen waar je plezier in hebt. Dat heb ik gedaan.”

Je dans wordt maatschappelijk betrokken genoemd. Ben je het daarmee eens?

„Dat zeggen ze, ja. Ik vind mezelf bijna een soort maatschappelijk affichekind. Dans moet een connectie hebben met de wereld, met anderen, dat vind ik belangrijk. Dans is alles. Hoe mensen staan in een café, kinderen op straat, dans zit overal in. Dans is beweging. Goede professionele ballerina’s met spitzen zijn leuk om mee te werken, maar dat bevredigt me niet. Ik ben van de volgende generatie. Het is mijn rol dans uit te breiden. Traditie moet je omarmen, maar je moet die kunnen loslaten, openstaan voor nieuwe dingen. Risico’s nemen.”

Waarom?

„Ik zoek grenzen op, extremen? Ik weet het ook niet, ik kan daar heel oppervlakkige dingen over zeggen, zo van, ik ben zo en zo opgegroeid, maar het is complex, waarom je dingen doet, je achtergrond. Soms saboteer ik mijn eigen ambitie. Dan ben ik te moe om mijn eigen stem te horen na een dag praten. Ik weet wel wat ik wil en waar ik naartoe wil. Daarom wil ik graag samenwerken, ontvangen. Maar ik heb ook risicogenen in mijn lichaam, hou van extreme sporten, maar het is zeker geen provocatie om provocatie. Ik wil meer zeggen dan alleen risico’s nemen.

„Ik wil geen doorsnee, het is ook een protest. Ik ben ook niet vaak bang, dat is soms lastig. Als een danseres niet van een 2,5 hoge muur durft te springen zou ik vroeger zeggen: hoezo niet? Omdat ik dat zelf niet zo voel. Mensen werken vaak met een concept van tevoren. Ik ben meer van het doen doen doen, eerst vallen, en dan kijken waar je uitkomt. Pas later heb ik geleerd dat zelfreflectie ook belangrijk is.”

Je laat dansers schreeuwen, voeten likken, copuleren op toneel.

„Ik geef ze een bepaald kader, een taak. Van alle bewegingen die ze doen kies ik er dan dingen uit, ik ben een soort eindredacteur die zinnen eruit knipt. Het gevaar is dat het cliché wordt, of dat het alleen maar naar binnen gericht is. Ik pik bewegingen eruit die mensen aanspreken. Ook weten dansers dat ze bij mij over hun grenzen moeten gaan, anders gaan ze niet met mij werken.”

Hoe voelt het voor jou om je stukken te maken?

„Ik voel me niet altijd gemakkelijk als ik ze maak. Als iemand heel hard schreeuwt bijvoorbeeld. Een deel van je voelt empathie met die persoon, maar als theatermaker denk je, dit is prachtig. Je moet een soort dubbele persoonlijkheid hebben. Je voelt en kijkt goed tegelijk.”

En Anatomica #1?

„Dat gaat vooral over fysieke dingen, het worstelen met aantrekkingskracht. Maar ook hoe ver kun je gaan, hoe hoog kun je springen, hoe verleidelijk kun je zijn, wat doe je met seksuele aantrekkingskracht. Dat zie je ook in Libido.”

Libido is heftig, maar ik werd er soms ook triest van.

„Maar het is ook grappig, en een beetje absurd, pathetisch, dat hoort erbij. En seks is toch ook voor veel mensen vaak verdrietig? Je moet geen eenduidige boodschap hebben. Niet bang zijn, dat wil ik zeggen, ook met Anatomica #1: seks is zielig, saai, absurd, spannend. Het kan intiem zijn, persoonlijk of vrolijk. Het is alles tegelijk. Er zitten zoveel kanten aan.”

Heeft dit werk je veranderd?

„Heel erg. Je groeit voortdurend, ook als je faalt. Ik heb meer zelfvertrouwen gekregen. Nu kan ik alles wel aan wat ze naar me toegooien. Ik heb ook zoveel mooie mensen ontmoet, heb de beste baan in de wereld. Dat is een cadeau van het leven, dat besef ik wel. Als ik denk aan mijn familie, die elke dag naar een staalfabriek gaat en in 110 graden moet werken. Ze hebben er wat van gemaakt, maar ik heb geluk gehad.”

Dans je zelf nog?

„Dat heb ik tien jaar gedaan, was heerlijk, maar het was goed zo. Als danser ben je ook veel met jezelf bezig. ‘Oh mijn lichaam vandaag en je moet dit doen en dat, hoe zit je en wat je uitstraalt op toneel’. Soms vergeet je je omgeving. Maar het gaat uiteindelijk om communicatie. Je moet ook andere dingen kunnen doen. Dat heb ik van Bob Wilson geleerd, een belangrijke mentor voor me. Hij had ook veel vertrouwen in me. ‘Kom op, verder denken dan je eigen performance’, zei hij. Dat is mijn reden om door te duwen. En dat probeer ik nu weer over te brengen bij mensen die bij ons werken. Grappig dat besef ik pas nu ik erover praat.”

Heb je altijd ideeën?

„Tot nu toe wel. Door kunst, wetenschap, ik lees boeken over het lichaam. Ik heb die tentoonstelling over de Bodies gezien: mooi en afschuwelijk tegelijk. Hoe een long allemaal bloedkanaaltjes heeft. Ik zoek ook altijd naar kracht en fragiliteit tegelijk. Zo zei ik tegen dansers in ‘The Autopsy Project’: zink nu met je hele lichaam in dat staal. Dat fascineert me. Dat contrast tussen organisch en industrieel. De onmacht. Dat lichaam is zo kwetsbaar.”