Alleen, in een diepe, duistere holte

In een zomerse serie over bijzondere reisboeken deze week de hoge toppen en de diepe dalen van Jacob Haafners reis door het achttiende-eeuwse India. Tijgers, palankijnen, koelies en een tragische liefde.

Jacob Haafner: Exotische liefde. Bewerking, hertaling en voorwoord Thomas Rosenboom. Nawoord Erica van Boven en Olf Praamstra. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 282 blz. € 24,95.

Ik wist niet veel van Jacob Haafner (1755- 1809), en ook niet van zijn boek Exotische liefde, een bloemlezing uit het lange verslag van zijn reis langs de oostkust van India. Maar ik sloeg het open en ik zat meteen in een spannend verhaal. Haafner heeft een bezoek gebracht aan een dorpje in de buurt en wil nu, aan het eind van de dag, door de bergen teruglopen naar zijn standplaats Vizagapatnam.

Maar hij verdwaalt. En het wordt donker. Het begint ook nog eens te regenen. Haafner wordt moe. Haafner denkt aan de tijgers die hier leven. Haafner wordt steeds banger. Ik merkte dat ik zelf bij het lezen ook steeds banger werd, en steeds gehaaster begon te lezen. En ik kreeg dus dezelfde doodsschrik te verduren als Haafner zelf toen ‘plotseling de grond onder mijn rechtervoet verdween’ en hij naar beneden glijdt, de diepte in. Nog even kan hij zich vasthouden aan een struik, en dan valt hij echt. Tot zijn geluk komt hij in de diepte op iets zachts terecht: een groot dier, een os of een buffel, dat daar, gelet op de enorme stank, al een hele tijd ligt te rotten. Haafner kan niet anders dan doodsbang in dit volkomen donkere stinkende ravijn de dag van morgen afwachten – en maar hopen dat er geen levende wilde dieren op hem afkomen.

Marteling

De volgende morgen blijkt het allemaal nog erger dan Jacob en ik dachten. Hij bevindt zich in een soort bergholte waar hij niet meer uit kan. Hij heeft geen drinken en geen eten. Om hulp roepen heeft geen zin, ook al doet hij het die eerste dag toch maar. Het wordt een marteling – voor Jacob, maar ook voor de machteloze lezer. Een reeks van stemmingen trekt voorbij: afgrijzen, wanhoop, angst om gek te worden, angst voor de dood.

Het is allemaal enorm spannend, en het wordt goed verteld, met versnellingen en vertragingen en een goede afwisseling van actie en overpeinzing, paniek en overleg. Een literaire thriller! En dan verzamelt Haafner toch maar alle moed om bij daglicht, met wat reepjes rottend buffelvlees op zak, een duistere grot in te kruipen, in de hoop daar een gat met licht aan te treffen. Het is de enig mogelijke uitweg naar het leven.

Het liefst zou ik het hele verhaal overschrijven, vijftien verschrikkelijke pagina’s lang. Ik heb het nu een paar keer gelezen, en elke keer breekt het klamme zweet me uit. Hij beschrijft de grafstilte die heerst in het binnenste van de berg. De angst voor slangen. De vondst van een menselijk geraamte. Maar erger nog: de claustrofobie die hij met kalme nauwgezetheid probeert te bedwingen. En daar komt dan nog de angst bij om gek te worden en ‘helemaal alleen, in de duisternis, diep onder de aarde van honger en dorst te moeten vergaan.’

Ik weet te weinig van psychologie om te kunnen zeggen dat Haafner een groot psycholoog is. Maar ik weet wel dat hij goed naar zijn eigen stemmingen, en stemmingswisselingen, kan kijken en er eerlijk, helder en levendig over kan schrijven. Zijn avonturen zijn spannend, maar zijn analyses ook.

Ik kan nu wel verklappen dat Haafner na twee dagen in de donkere berg inderdaad een spleetje licht vindt, en een uitgang. Dat had u vermoedelijk al gedacht, want anders had hij het niet kunnen opschrijven in zijn Reize in eenen palanquin (1808). Het is een verslag van de reis van zo’n duizend kilometer die hij in 1786 maakte, in een palankijn. Een palankijn is een draagbed, gedragen door vier koelies en gevolgd door vier koelies, voor de bagage. Draagkoelies en bagagekoelies wisselen elkaar onderweg steeds af. Van dat reisverslag is ongeveer de helft geselecteerd en herschikt, door Erica van Boven en Olf Praamstra, en die selectie is door Thomas Rosenboom hertaald onder de titel Exotische liefde.

Het is een geweldig boek. De schrijver laat zich door de wereld dragen en beschrijft wat er onderweg gebeurt. Het is het eenvoudige recept voor een spannend en levendig boek, als je tenminste, zoals Haafner, geneigd bent veel na te denken over alles wat je ziet. Het wemelt van de avonturen en al die avonturen zijn aanleiding voor interessante uitweidingen over de Indiërs en hun religie, muziek, dans, eetgewoonten, geneeskunst en hun omgang met de doden.

Haafner heeft lang in India gewoond en spreekt de taal, heel bijzonder voor een Europeaan. Hij heeft sympathie voor de zachtmoedige en waardige manier waarop ze met elkaar omgaan – heel anders dan lompe Europeanen die louter op geld en gewin uit zijn.

Voor zijn landgenoten, de onbeschofte Nederlanders, heeft hij geen goed woord over. Maar het zijn vooral de Engelsen die het moeten ontgelden. Vijftig jaar voor Multatuli trekt hij al van leer tegen christendom en kolonialisme, in zijn ogen een aaneenschakeling van roof, uitbuiting, uitpersing, slavernij, verkrachting, moord. ‘De ontdekking van Indië door de Europeanen is de grootste ramp die dit land heeft kunnen treffen.’

Koelies

Het klinkt allemaal overtuigend. Tegelijkertijd kan ik niet goed beoordelen hoe genant het is dat deze felle kritiek komt uit de mond van iemand die het zich kan veroorloven om zich duizend kilometer lang door koelies in een draagbed door het land te laten dragen. Hij behandelt hen vriendelijk en betaalt hen goed, dat is duidelijk.

Tussen alle bittere aanklachten trekken prachtige beschrijvingen van dorpen, tempels en landschappen voorbij. Haafner kan mooi schrijven over zonsopkomsten, als een dichter in vervoering. En dan heb ik het nog niet eens over de liefdesgeschiedenis die deze hele reis bijeen houdt. Haafner, dertig jaar, raakt onderweg gecharmeerd van Mamia, zestien jaar, een devedaschie, een danseres uit een rondtrekkende groep danseressen.

De liefde kent, zoals alles in dit boek, toppen en dalen. Hij wijst haar af en gaat naar haar op zoek. Hij vindt haar en raakt haar weer kwijt. Het is Sturm und Drang met een ondertoon van kitsch. Ook van deze liefde weet ik niet helemaal wat ik ervan moet vinden. Is zij wel zo zuiver en gelijkwaardig als Haafner het wil doen voorkomen?

Aan het einde gaat Mamia dood. Haafner moet haar beloven haar lichaam volgens de gebruiken te verbranden. Hij doet het, met liefde. Jacob moet in stilte huilen, en ik huilde in stilte met hem mee. Opnieuw is hij de weg kwijt, zoals zo vaak in dit meeslepende boek. Opnieuw moet zijn leven een nieuwe wending nemen. Maar waar naartoe, zonder Mamia? ‘De wereld lag als een woestenij voor me, en ik moest er alleen doorheen.’