40 uur werk, één dood zwijn

Dit jaar moeten er op de Veluwe 2.000 wilde zwijnen worden geschoten, om „de populatie gezond te houden”.

Maar dierenbeschermers zeggen dat juist die jacht zorgt voor overbevolking.

De Russische toneelschrijver Anton Tsjechov (1860–1904) stelde dat wie in de eerste akte van zijn stuk een geweer introduceert, verplicht is dat wapen voor het doek valt af te laten gaan. Maar Leendert Houweling heeft me gewaarschuwd, de kans dat er vanavond wordt geschoten, is niet heel groot: „Het schieten van een enkel zwijn kost ongeveer veertig uur.” Sinds de opening van het jachtseizoen voor zwijnen, op 1 juli, is hij een paar avonden per week op pad geweest, maar tot nu toe heeft hij nog geen schot gelost.

Houweling is jager. Overdag werkt hij op kantoor voor een bedrijf dat winkelinrichtingen verzorgt, maar in zijn vrije uren wandelt hij met een buks over de Veluwe. Dat doet hij in opdracht van de gemeente Ede. Soms zijn er nu eenmaal te veel zwijnen.

Er is dit jaar door koepelorganisatie Faunabeheer Nederland voor de Veluwe een afschot van tweeduizend wilde zwijnen vastgesteld. Het is weinig in vergelijking met vorige jaren, toen aantallen tegen de vijfduizend niet ongewoon waren. „Het is een logisch gevolg van de strenge winter, er zijn een stuk minder dieren”, zegt Houweling.

Het voorkomen van honger onder de dieren is een belangrijke reden voor populatiecontrole. Op basis van een telling in het voorjaar, wanneer wordt gekeken hoeveel dieren er in een bepaalde regio rondlopen, en wat de verwachte voedselvoorraad is, wordt ieder jaar door de jachtautoriteiten het afschot bepaald. Het tellen gebeurt in koppels, een van de twee tellers komt van buiten het gebied of is geen jager. Dit om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. De Partij voor de Dieren vertrouwt die methode niet.

De Wildbeheereenheid (wbe) waar Houweling deel van uitmaakt, Zuid-West Veluwe Leefgebied 6, bestaat uit ongeveer vijfendertig mensen, en wordt dit seizoen geacht zeventig zwijnen af te schieten: drieënvijftig biggen, elf overlopers (eenjarigen), drie zeugen en drie volwassen mannetjes, zogenaamde keilers. De jager mag ieder seizoen het vlees van een enkel dier houden. De rest van het afschot gaat ook naar de poelier, maar daarvan komt de opbrengst komt ten goede aan de wbe.

Houweling is tweeëndertig en hij woont met zijn levenspartner Jeroen aan de rand van Ede, niet ver van natuurpark De Hoge Veluwe. Hij bewaart zijn jachtgeweren in een smalle, staande kluis in zijn werkkamer. Naast de brandkast hangt een opgezette muskusrat aan de muur. Op een witte tafel staan een kraai en een buizerd glazig voor zich uit te staren, op een stoel staat een fazant. Vanaf een kast kijkt een vos met ontblote tanden naar de vogel.

Als kleine jongen had hij weinig op met de jacht, zegt hij. Maar toen hij op een dag een dode vogel vond en die bij een preparateur bracht, ging langzaam een wereld voor hem open. Hij ging mee op pad en zag na verloop van tijd de, naar zijn mening, nobele doelen in: „Mensen denken soms dat wij gewoon zoveel mogelijk willen afschieten, maar dat is onzin. Vooral het schieten van gezonde dieren stuit soms op onbegrip. Maar we proberen heel gericht de populatie als geheel gezond houden. De dieren hebben geen natuurlijke vijanden hier.”

Ook kunnen de beesten bij overbevolking en voedselschaarste flinke overlast veroorzaken. Het aantal aanrijdingen met zwijnen loopt in de honderden per jaar, alleen al op de Veluwe. En soms vallen ze honden aan: „Vorig jaar is in de buurt nog een bouvier gesneuveld.” De houwers, ruim tien centimeter lange gekromde hoektanden, die hij thuis toont, maken dat verhaal maar al te geloofwaardig.

Hij waakt ervoor de dieren als individuen te zien, toch lukt dat niet altijd. „Soms kijk ik door mijn zoeker een eenzame oude keiler in de ogen en denk ik: jij en ik, we verschillen niet zoveel. Ik zie je de volgende keer wel weer. Je kunt er best weemoedig van worden.” Houweling pakt zijn geweer en loopt naar zijn auto. Net zoals zijn tenue, zijn geweertas en de verrekijker om zijn nek, is ook Houwelings auto groen. Een kleine Peugeot 106 met achter de voorruit een bordje ‘wildbeheer’: „Je kunt je voorstellen dat een keiler van 130 kilo daar niet gemakkelijk inpast.”

Wanneer we met de auto door Otterlo rijden, passeren we aan de rand van een maisveld slagerij Wilbrink. Houweling: „De zwijnen hebben vorig jaar de hele fundering van dat gebouw omgewroet.” Gevoel voor ironie kan de dieren niet worden ontzegd.

Pal naast De Hoge Veluwe ligt De Zanding, het gebied waar Houweling jaagt. Aan de rand van het terrein zit een groepje hangjongeren op een bankje, Houweling vertelt met enige trots ook als extra ogen en oren van de politie te fungeren. „Sinds de afschaffing van de veldwachters is het moeilijk om hier alles goed in de gaten te houden. Er is weleens gedoe met drugshandel geweest.” Als we het terrein oplopen staat hij af en toe stil. Hij tuurt naar de grond en mompelt iets over regen en uitgewiste sporen. De scène herhaalt zich een paar keer totdat hij ineens een mooie pootafdruk met een doorsnee van ongeveer vijftien centimeter vindt. Zijn ogen lichten op. Een paar honderd meter verder strooit hij wat lokvoedsel uit.

Omstreeks middernacht is het inmiddels behoorlijk donker geworden, de maan komt nog niet boven de boomtoppen uit. We lopen al een paar uur kriskras door het gebied, steeds langzamer en voorzichtiger, bang om op een rotte tak te stappen. Houweling staat stil, het geweer over zijn schouder geslagen, en gebaart iets te zien: een zwijn. Voorzichtig schuifelen we verder. Houweling kijkt door zijn verrekijker de duisternis in. Ik doe hetzelfde, maar hoe hard ik ook tuur, ik zie geen steek. Laat staan een zwijn. „Hij was snel weg, een overloper denk ik, aan de rug te zien. Ik denk dat we het hier maar bij moeten laten”, zegt Houweling.

Het blijft stil. Geen knal, en geen Weidmannsheil, de traditionele groet na een succesvolle jacht. Wel een glaasje Jägermeister uit de kofferbak van de Peugeot. Geen haast, er komen nog genoeg nachten voordat het seizoen in januari afloopt.